Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deelingen natuurlijk in de eerste plaats en voornamelijk de kleinere stukken.

Was Huygens eens een zomer thuis of vertoefde hij in latere jaren lang achtereen in den Haag of op Hofwijck, dan zette hij zich tot het schrijven zijner grootere gedichten, waarvan de meeste zeker volgens een van te voren vastgesteld, vrij uitvoerig plan zijn bewerkt. Zulk een plan hebben wij over o.a. van Voorhout en Dagh-werck, ook van de ode Aen de l rije Nederlanden, al telt dat stuk nog geen 300 verzen.

Kekening houdend met Huygens' eigenaardig talent, met sqjn zoeken naar het bijzondere, het ongewone, zijne vrees voor alledaagschheid, zijn streven naar kernachtigheid en geestigheid, zou men allicht vermoeden dat hij doorgaans langen tijd aan zijne gedichten zat te werken. Toch wordt dat vermoeden door de feiten slechts voor een gering deel bevestigd. Niet zelden leest men onder een gedicht dat het „uno spiritu," in één adem, geschreven is. Ooghentroost dat 1000 verzen en Hofwijck, dat meer dan 2800 verzen telt werden beiden geschreven in vier „zittingen"; Hofwijck werd in een maand of vier voltooid; ook Cluytwerck naar het schijnt in korten tijd gedicht. Aan Dagh-werck is hij lang bezig geweest; in 1627 maakte hij er een begin mede, doch moest het werk meer dan eens staken, in 1638 hield hy met de bewerking op en liet het onvoltooid. Daarentegen is de omvangrijke bundel Spaemche Spreeckwoorden binnen het jaar (A°. 1656 1657) tot stand gekomen.1

1 Sjl Ged- '• 214 (noot 1); II, 24 (noot i.»; III, 48; II, 229 (en passimI, , 2.2; III, 32»; IV, 181, 199 , 239; IV, (il, 82, 8a, 119; VIII, 173 , 324: VII, 39; lil. i8; VI, 221; VIII, 240, 2<i3 , 308; IX, 26.

Sluiten