Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al zijn dan vele van Huygens' gedichten vlug en „aus einem Gusz" geschreven, uit zijne handschriften blijkt dat hij volstrekt niet altijd onmiddellijk het juiste woord, den juisten vorm vindt, doch doorgaans al zoekend, schrappend en wijzigend, zijn werk volbrengt. „In het klad," deelt Dr. Worp ons mede, en nu en dan ook in de andere

handschriften is dikwijls iets doorgeschrapt Dikwijls

heeft de dichter een woord onderstreept en er een ander boven geplaatst; ook dat tweede woord is somtijds weer onderstreept en nog een derde gekozen." 1 En ook, wanneer hij dan geen kans zag zijn werk verder te verbeteren, was dat nog geen bewijs dat hij er hoogelijk mede ingenomen was. Integendeel, had hij een stuk voltooid, dan kreeg hij er soms een tegenzin in. In een brief aan Hooft van het jaar 1626 over diens Baeto, een treurspel dat hij zeer hoog stelde, betuigt hij Hooft zijne verwondering dat deze in een voortbrengsel van zijn dichterlijk vernuft tien jaar na den tijd waarin het geschreven was, nog voldoende behagen schept om het uit te geven: „alleenlijck slaet my dit laeste stuck wercks met ongemeene verwonderinge, bedenkende dat het U.E. tot veele jaren naer sijn geboorte tot uitgevens toe bevallen heeft, ende U.E. als vreemde leser het versche oogli daarop slaende (refrigerato inventionis amorf, seght, dunct my Quintilianus) noch geen weersinn daarin heeft kunnen krijgen; sulx seker wel teecken is van een staende oordeel uyt reden van nood, overmits het tot sijn volmaeckte peil geresen is en voortaen geen onderscheyd tusschen heden en gisteren en

Ged. I. XXVII (Inleiding.)

9

Sluiten