Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telkens hooren wij den dichter zich hier tegenover zijne lezeis verontschuldigen wegens de langwijligheid van zijn verhaal en hen opwekken tot geduld: De beschrijving van het bosch op Hofwijck is ten einde gebracht. Goddank ! zegt de lezer. De schrijver zegt het ook. Mijn wandelaar is moe? Ik kan het hem niet kwalijk nemen; wie zou ten slotte zijn geduld niet verliezen bij „soo veel wild geklaps" ? Gij die al zoo lang geduldig naar mij hebt geluisterd, verdraagt nog een paar woorden! Verheugt u, lieve lezer, ik ben aan het eind! — dergelijke uitingen lezen wij het gansche gedicht door.' Elders spreekt hij van zijn „taeyen Oogentroost", hoewel hij in den aanvang van dat gedicht het gevaar van langwijlig worden toont te beseffen.2 Over de gedichten van zijn eersten tijd hooren wij hem in later jaren slechts enkele keeren spreken. Zoo herinnert hij den lezers van Hofwyck, naar het schijnt niet zonder welbehagen:

. . . . wat mijn jonghe fluyt van 't Voorhouts groene gangh Op nieuwe noten peep.»

Maar het meest was hy blijkbaar ingenomen niet zijn Cotstelyck Mal; dat stuk blijft hy steeds gedenken, zelfs een boer laat hij spreken over

. . . . all 't goed dat de Vent van 't Kostelieke Mali lens heit eretoryekt. <

1 Ged. IV. bl. 28!» vlgg. <vs. 877, 1150, 1255, 1353, 1477, 1675, 1961, 1906 2504, 27011, 28221.

» Ged. VI, 232: IV, 88 (vs. 137).

> Ged. IV, 294 (vs. 1092).

4 Ged. IV, 311 (vs. 1790) en verder II, 33 (vs. 114); III, 84' IV 113 (vs. 834) 290 (vs. 1180): V, 51: VI. 53, 60; VII, 113 (vs. 71): VIII, 55.

Sluiten