Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overigens komt het mij waarschijnlijk voor dat men zijne ingenomenheid met dit werk — voorzoover daarvan sprake mag zijn — zal moeten toeschrijven vooral aan de zedelijke waarde die dit hekeldicht na»r des auteurs meening kan hebben gehad, en aan de wijze waarop hij er hier in geslaagd was het aangename met het nuttige te verbinden.

Doch indien Huygens dan over het algemeen zoo gering dacht van zijne eigen poëzie, hoe komt hij dan zoo kitteloorig indien Vondel aanmerkingen maakt op zijne verzen ? Dat lag voor een deel zeker aan den aard der aanmerkingen zelve waarover wij boven spraken; voor een ander deel aan de bijzondere verhouding tusschen de persoonlijkheden van dezen auteur en dezen c iticus. Voor nog een ander deel eindelijk, naar ik geloof, aan die eigenliefde, die ingenomenheid met wat men zelf gevoelt, denkt en doet, die zich in allerlei graden en schakeeringen onder de menschen vertoont, waarvan weinigen volkomen vrij zijn, en die, hoe ook bestreden en onderdrukt, vaak op het onverwachtst weer komt opduiken. Mag men Huygens geheel gelooven waar hij zoo geringschattend spreekt van eigen dichterlijke voortbrengselen? Men zou hem deze verzen uit zijn Ooghen-Troost kunnen voorhouden :

Maer 't is Poi'ten-slagh; sy konnen 't niet ontleggen.

Sy sien geen schooner ey dan dat sij selver leggen.

En. dreightse met de pleij." ghij pijnight'er niet uyt.

Dat eenlgli dichter oyt haer Luyt hebb' overluydt. 1

l Gedichten IV, 117 (pleij' is pijnbank).

Sluiten