Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij in menig opzicht nog dicht bij het volk staat, bedient hij zich bij voorkeur van het dialect, laat hij zoo gaarne een boer of man uit het volk spreken, indien hij zich in naam van de waarheid, van het gezond verstand, van den eenvoud richt tot zijne landgenooten.

»Tis uyt een Boeren-lipp een hooge les gesogen",

die woorden, ontleend aan de zedeprint van een Boer, duiden het soort van zedenhekeling aan waarvan Huygens zich gaarne bedient. In het uitbeelden van boersche naïeveteit wordt hij alleen door Breero overtroffen. Zoo b.v. waar hij zijn Boer, die op marktdag met zijne vrouw door den Haag rijdt, over een pronkertje lant spreken :

Kijck, hoe zitt hij te pronck, al keeck hij uyt en kass,' In 't Leére Wagentgie, sen lockgies me vol ass 2

Siet nouw sen Mangteltgie, van buyte rood as Panne,

Van binnen as en grass, voli sije bongt espanne,

Trijn, onse Dom ine die preeckten op een dagh Van 't Hemels Bruiloft-Kleed, of 'tdit kleur wese magh ?

Ook den volkstoon, den volkshumor, weet hij voortreffelijk weer te geven. Zijne klucht van Trijntje Cornelis mag in menig opzicht gelijk gesteld worden niet den Warenar, met Coster's Teeuwi» de Boer, met Breero's kluchten ; zij laat de beide andere bewerkingen der hier verwerkte stof: de kluchten van Nieuwsgierig Aagje door Bormeester en Bogaert, al staan deze niet laag, een eind achter zich. Men moet onder de boeren verkeerd hebben

1 Kas (waarin een heilige gedragen wordj).

s Poeder.

Sluiten