Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geest, deed het voor onze oogen door de woestijn trekken. Doch zal zulk eene inetapher bij de meerderheid der ontwikkelde lezers schoonheidsontroering te weeg brengen, dan moet zij, als vanzelf geboren uit de werking van des dichters geest, door het geestelijk oog van den hoorder of lezer zonder veel inspanning kunnen worden gevoeld en genoten; dan mag zij niet den indruk maken van gezochtheid, noch doordat zij te veel inspanning eischt van lezers of hoorders, het genot der schoonheid bemoeilijken of onmogeiijk maken. Aan dat laatste euvel lijden Huygens' metaphoren niet zelden en het is dan ook een bewijs zijner ontwikkeling als dichter dat, voorzoover ik heb kunnen nagaan, in zijne latere werken die gezochte metaphoren al schaarscher en schaarscher worden.1

Geestig of aardig is Huygens dikwijls. Zoo b.v. waar hij in zijn Voorhout schrijft:

'S merghens raeckt men aen de waerheyt,

Wat het Meysgien voor gestel.

Wat voor huer en of sy haer heit,

Wat voor verw, voor vleesch, voor vel;

Waar hij de onafscheidelijk rondwandelende vrienden Van der ISurgh en Brosterhuyzen een „individuum vagum" noemt en van Pappenheim toen deze terugtrok naar het Westfaalsche hammen-land, schrijft:

Ce miraclb est considérable,

Autant que 1'autre, des Trouppeaux

l Voorbeelden o.a. Ged. 1, Kil, 217, vs. 121 vlgg.: 248 : 272, vs. 103 vlgg.; II, 78, 88. 101 . III, 77, 80, 83, 07-08, 108, vs. 1 IV, 318, vs. 2093; ook vs. 2008 en 2157; VIII, 110.

Sluiten