Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij den dood van zijn vriend den bouwmeester Post, bij het sterven van een geliefd kleinkind.1

Nergens kunnen wij Huygens' neiging tot het vernuftige, aardige, geestige beter waarnemen dan in zijne puntdichten , door hem zeiven Sneldicht genoemd. Dat genre moest hem wel aantrekkken. Zijn lust tot het dichten van verzen vol pit, waar in een kort bestek zooveel mogelijk van juiste waarneming, rijpe ervaring, degelijke menschenkennis of ook louter vroolijkheid en speelsche dartelheid is samengedrongen, heeft hij ook elders getoond ; - doch hier had hij daartoe de beste gelegenheid. Hij zelf was zich wel bewust, wat hem in het sneldicht zoo aantrok:

Veracht mijn Sneldicht niet; 'T is Alchimisterij;

'T is mergh van langen sin. 'K segh niet hoeveel het weerdt is,

En of 't uijt goede stof of quae gedistelleert is;

Maer, soeckt ghij sot of wijs in 't korte, soo leest mij.

Het blijkt ook uit die fraaie verzen op welker „meesterlik rithmus" Beets indertijd de lezers zijner Inleiding tot Staring's werken gewezen heeft:

Een kleinen hamer, snel gedreven, heeft meer macht,

Dan een swaer User dat maer op den Bout geleght werdt. 3

Vele der talrijke puntdichten van Huygens hebben alleen verdienste door eene woordspeling en wij voor wie

1 Vgl. Ged. I, 236; II, 2!H; III, 43, 181; IV, 13, 15. 17; V, 184 , 271, 292; VII, 271; VIII, 85.

2 Vgl. b.v. Ged. II, 5 ( 27—28), 8 (35), 9149—511, passim ia ie Zedeprinten ; III, 55 (vs. 203 -204), 84 (vs. 1254-'.i5).

3 Ged. VI. 27, 28. Zie ook bladz. 337.

Sluiten