Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op dit stukje: „Tot vertroosting van den Heere van Swieten over het verlies van syn soon, sprekende gesturven":

»Ja vader. . . ." zeid' het kind, en gaf den Heer sijn ziel.

Nu ist die vaders beurt oock met deselve woorden Syn ziel te troosten, die hij van sijn soontjen hoorden:

»Ja, vader, het zij soo, dewijl 't u soo geviel."1

De stukken die ik tot dusver heb aangehaald ten bewijze dat het in Huygens' werken niet ontbreekt aan ware poëzie, zijn öf fragmenten öf, indien zij een geheel vormen, stukken van geringen omvang. Het valt niet gemakkelijk in Huygens' dichterlijke nalatenschap stukken van eenigen omvang aan te wijzen die van het begin tot het eind mooi zijn, of, zooals Vondel zegt „doorgaens volstaen, overal zich zelf gelijck zijn en (hunnen) meester nergens beschamen."

Scheepxpmet is onder zijne kleinere stukken een der beste; zóó als wij het over hebben in de lezing der Korenbloemen, vormt het in ons oog een fraai geheel — doch van de zijde des dichters was hier meer geluk dan wijsheid, want oorspronkelijk had hij er nog drie coupletten bijgedicht en nog in de uitgave van 1658 hield hij het voor onvoltooid („onvoltrocken"). Misschien voldoen Voorhout en Trijntje Come lis het best aan den eisch, door Vondel terecht aan goede poëzie gesteld. Waar Huygens in een stuk van eenigen omvang goed begint, zien wij

1 VIII, 307.

Sluiten