Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem niet zelden kort daarop dalen, al verheft hij zich later nog wel eens om dan weer te dalen en zoo rijzend en dalend zijn weg te vervolgen.

Op duizelingwekkende hoogte drijft alleen de arend met nauw merkbaren vleugelslag en hoog ook trekt op sterke wieken de wilde zwaan door het luchtig ruim ; daar beneden zweeft allerlei gevleugeld volk, voorwaarts schietend met lange streken, sierlijke bochten beschrijvend, of zich reppend met gestadig vallen en rijzen, of telkens rustpunten kiezend en fladderend van tak tot tak.

Vin dat vallen na een goed begin zien wij een voorbeeld o. a. in een gebed tot God door den dertigjarigen dichter uitgestort, toen hij gekweld door koortsen welker oorzaak hij niet kende, te bed lag.1 Er is wel gang en warmte in deze aanvangscoupletten:

Wilt dan deernis met my hebben En de qualen eens doen ebben Die my perssen vloed op vloed,

Valt my niet te lastich bange,

Heer, en worstelt niet te lange Tegen dit onmachtigh bloed.

Machteloos en schuldigh kenn ick 't,

M aer voor dijn gesicht bekenn ick 't,

Daer Genade st.net bij Recht,

Laet mijn sonden dusend wesen,

Boven dusenden geresen,

Emmers blijv* ick noch dijn knecht.

Waar hij dan echter de gevaren nagaat, de veel grooter gevaren waaraan hij in zijn leven heeft blootgestaan,

' Ged. II, 155.

Sluiten