Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tracht men voor een oogenblik den bitteren bijsmaak dien zulke gruwzame grappen voor ons gevoel moeten hebben, te vergeten — en om billijk te zijn tegenover Huygens als kind van zijn tijd, moeten wij dat trachten — dan zal men erkennen dat Huygens zich hier verwant toont met dien zestiend'eeuwschen plaatsnijder die ons een paar worstelende athleten afbeeldt van voren, van achteren, \an den eenen kant, van den anderen; met dien Franschen schilder die eenzelfde hooiberg schilderde nu 's morgens, dan 's middags, dan 's avonds, nu van dit punt dan van dat punt gezien.

Aan een teekenaar, een schilder denkt men bij Huygens eer dan aan een beeldhouwer of bouwmeester, want zijn plastisch talent zooals het zich openbaart o. a. in zijne zedeprinten en in den bouw zijner grootere gedichten, schijnt mij niet groot. In de „zedeprinten" wordt, om een type te schotsen, in den aanvang eene opsomming gegeven van eenige voorname trekken die naast elkander gezet worden, zonder dat het duidelijk wordt welk beginsel ten grondslag ligt aan de orde waarin zij op elkMiider volgen ; waarvan men vermoeden mag dat de schrijver ze te boek stelde zóó als zij hem voor den geest kwamen. Heeft hij ook al voor sommige zijner groote gedichten een plan gemaakt, dan kan men Huygens juist niet bewonderen in de wijze waarop hij de deelen van zijn werk onderling verbindt. Zoo b.v. de wijze waarop hij in Voorhout de beschrijvingen der onderscheidene jaargetijden verbonden heeft en in Ilofwyck van het eene tot het andere deel van zijn landgoed overgaat.1

1 Geil. I, 221, 232, 233; IV, 278 (v«. 491), 289 (vj. 88T>).

Sluiten