Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verzeilt en byster 's weegs met loeven en laveren God weet hoe gracelick, naer * oogemerck moet keeren;

Terwijl de leser staet en gaept met open mond. '

Maar daaraan was, meende hij, niets te doen. In de

ZeMtmet heeft hiJ Cats-gewijze een aantal bewijzen gegeven van deze stelling:

Maer 't hiet onmogelijck, als all dat onbeproeft, Oneindelicken dwang van redenen behoeft.

Het corapas, het buskruit, de drukkunst, de verrekij-

kers, het shngeruurwerk worden beurtelings behandel,1

als zoovele staaltjes van vooroordeel tegen het nieuwe. Ook

de Zeestraat zelve leverde zulk een bewijs; sprekende

van de moeite door hem aangewend om dien weg aan-

geegd en voltooid te krijgen, maakt Huygens melding

ook van een geschrift over dien weg door hem uitgegeven

en weidt dan in een vijftigtal verzen uit over de betee-

-ems van boeken en geschriften in het algemeen. Mijn ezer, «egt hg aan het glot dier uitweiding( ^ we] ^

en moe 7yn ; ik heb dat wel voelen aankomen, doch hij houde het mij ten goede:

Daer viel geen houden aen: als 't hert van onderen

' bllxemen geraeckt, wil 't boven donderenGenegentheit slaet door en is niet meer te dwingen Als in eens vrijers mond het spreken en het si„ge„

>un die syn hert bezit. 2

Dat zich laten gaan is, zooals het citaat uit Cluyswerck toont, eene eigenschap van Huygens als dichter die hem

1 Ged. V, 17.

* VII, 118

Sluiten