Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BESLUI T.

Onder Huygens' tijdgenooten was er in het algemeen over zijne persoonlijkheid en zijne poëzie maar ééne stem: die der bewondering. Van der Burgh, VVesterbaen, Vollenhoven, Jeremias de Decker, Antonides en zoovele anderen zijn het eens over Huygens' groote kennis, zijne wijsheid, zijn vernuft, zijne diepzinnigheid.1 Cats (het is ten minste zeer waarschijnlijk dat het Cats geweest is) heeft na Voorhout en Costelyclc Mal dadelijk gevoeld dat hier een nieuw talent zich openbaarde:

Hier coomt een nieuwe Swaen met onghemeene pennen Hier coomt een hoogher gheest door onse landen rennen.

Ook dadelijk beseft, waarin de voorname eigenaardigheid van den nieuweling gelegen was:

' Eene uitzondering moet gemaakt voor Oudaans klacht over de ontuchtigheid van Trijntje Cornelis (Ged. I, 43—44) en die van Focquenbroch over Huygens' «duisterheid van zin en hardigheid van toonen". (Zie Alle de Werken II, 342 )

Ook Latirens Rake was blijkbaar niet ingenomen met Huygens' Koren• bloemen. Zie zijne Mengel-Poezy (Amst. 1737) en den bundel Nederd, en Latynse Keurdigten I, 553.

Sluiten