Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lossing smeekenden Heiland, weleer met uitgebreide armen aan het kruis van smarten vastgehecht.

Deze bidwijze — weleer zoo algemeen, ook bij het persoonlijk gebed (*) — werd kerkelijk vastgesteld bij de oraties, de praefatie en den canon. „Wij Christenen, zegt Tertullianus, bidden met ten Hemel gewende oogen en omhoog geheven handen, wijl zij rein zijn. Wij stellen ons niet tevreden, om de handen te heffen, maar wij strekken ook de armen uit tot herdenking aan het lijden des Heeren."

Nog voller uitgedrukt wordt deze ceremonie bij het „Dominus Vobiscum" (2) (De Heer zij met U) en het daarop volgende „Oremus" (Laat ons bidden). Dan breidt de priester de armen uit en voegt onmiddellijk de handen weer tezamen; want:

a. Dit „uitbreiden'' beteekent het mededeelen van Gods zegen, of, naar anderen, spreekt het van een levendig verlangen naar verhooring; het „sluiten" der handen is de houding van een deemoedig smeekgebed daartoe.

b. In meer mystieken zin gedacht, is deze ceremonie het symbool van een „bijeen-voegen"; als bracht hij op zichtbare wijze, in zijn eigen, kerkelijk priestergebed alle de verspreide smeekingen en verzuchtingen der aanwezige geloovigen, tot één geheel tezamen, gelijk de Engel Gods — van wien de H. Johannes in zijne Openbaring meldt — de gebeden der heiligen vergadert en opdraagt naar den troon der Almacht.

(1) Tot schade van den vurig biddende werd deze ceremonie van het Kruisgebed, hoe langer zoo zeldzamer en vluchtte ten slotte in het stille bidvertrek of in de kloostercel.

(J) Deze acht malen herhaalde ceremonie is als oud-testamentische zegenwensch gekerstend. Het „Oremus" gaat alle de voornaamste gebeden vooraf en geldt als een voortdurende aansporing van een krachtig gebed tot de „mede-ofteraars", het aanwezige volk.

Sluiten