Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D. Ad Deum, qui laeti- Tot God, de blijdschap fïcat juventutem meam. mijner jeugd.

Wélbewust van zijne eigene ontoereikendheid, belijdt de Pr.:

Adjutorium nostrum in Onze hulp is in den

nomine Domini. naam des Heeren.

D. Qui fecit coelum Die hemel en aarde

et terram. gemaakt heeft.

Als de hulpzoekende tollenaar, wiens bede omhoog ging tot Gods troon, buigt hij zich neder, want voor God is de mensch slechts „stof en asch", en wetend, dat voor 's Heeren aanschijn geen levende rechtvaardig is, verdeemoedigt hij zich door zijn schuldbelijdend woord en een drievoudig slaan op de borst, om het drievoudig boo~e in gedachte, woord en werk zinnebeeldig aan te duiden; hij roept Maria aan, de „toevlucht der zondaren" en alle Gods lieve heiligen, want hij alleen „die rein is van handen en zuiver van gemoed zal den berg des Heeren (het altaar) bestijgen".

Hierna wordt, in ootmoedig beurtgebed, die openbare schuldbelijdenis herhaald door den misdienaar in naam van geheel het volk, wiens karakter als „medeofferaar" de mis-liturgie steeds weet te handhaven. Want het „gebed van hem die zich vernedert, zal door de wolken dringen".

In die bedoeling zegt de priester zijn: 2. CONFITEOR. (<)

Confiteor Deo omnipo- Ik belijd aan God den

I1) Met eenige geringe variaties is sedert de 8ste eeuw deze vorm in officieel gebruik; in andere soortgelijke redakties dagteekent het Confiteor in de h. Misse van de alleroudste tijden. De psalm (Judica" werd in cle 12e eeuw ingevoegd.

Sluiten