Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verhooging" zag en vereerde den Golgotha, den „Kruisberg, hard van steen". Maar nog inniger, en naar het ons voorkomt, in nog meer kerkelijken geest, beschouwde zij in het altaar: den Heiland zeiven. De Bisschop gewaagt er van bij de wijding van den subdiaken; de geheele kerkelijke eeredienst der altaarwijding wordt in handelingen en woorden beheerscht door de gedachte aan den Gekruiste; vijf kruisen worden in den altaarsteen uitgehouwen, symbolisch vertegenwoordigend de vijf kostbare wonden van den goddelijken Lijder; tallooze zalvingen zijn er voorgeschreven als zinneteekenen van Hem, over Wien geschreven: „De Geest des Heeren is op mij, daarom heeft hij mij gezalfd".

Zoo kon de H. Ambrosius, doorvoed van dien geest der mystieken, de uitingen van tallooze geestelijke schrijvers verzamelen in zijn: „Het altaar der Kerk is het beeld van 's Heeren Lichaam zelve".

Met den altaar-kus brengt dan de priester onmiddellijk zijn vereering aan den Goddelijken Meester, of middellijk aan diens trouwe leerlingen, de Heiligen, wier relieken het altaar omsluit.

In een anderen vorm wordt de vereering — althans in solemneele h. Missen — nog verder ontwikkeld door de — vroeger verklaarde — mystiek-plechtige bewierooking, (blz. 36), welke de priester thans doet volgen. Hierna vangt aan de

3. INTROÏTUS.

Dit „ingangsgebed" (J) bestaat uit een antifoon, een

(l) Oudtijds werd deze zang door het koor aangeheven, wanneer de dienstdoende priester zich naar het altaar begaf. Daar dit gezang de Mis inleidde, ontstond het gebruik om vele Zondagen naar het eerste woord van dien Introitus te benoemen.

Sluiten