Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dominus vobiscum. De Heer zij met u.

D. Et cum spiritu tuo. En met uwen geest.

Ite, missa est. Gaat, het offer is vol-

D. Deo Gratias. bracht.

Gode zij dank. Nog een laatste daad van toewijding (J) aan de h. Drievuldigheid — een slot-samenvatting van geheel het offer (2) — en de priester kust daarna den altaar, als symbool der mystieke vereeniging met zijn Heiland, die thans in zijne ziele leeft. Dan wendt hij zich, — gelijk ook de Zaligmaker aan het einde van zijn aardsch leven — tot de schare der geloovigen en zegent hen ten afscheid met het teeken des Gekruisten.

rlaceat tibi, sancta Irinitas, obsequium servitutis meae et praesta ut sacrificium quod oculis tuje Majestatis indignus obtuli, tibi sit acceptabile, mihique, et omnibus pro quibus illud obtuli, sit, te miserante, propitiabile. Per Christum Dominum nostrum. Amen.

Dat U moge behagen, o H. Drievuldigheid, de huldiging van mij, uw dienstknecht en wil verleenen, dat het offer, hetgeen ik nietwaardige voor het aangezicht uwer majesteit heb voltrokken, aan U welbehagelijk zij en dat het door uwe goedertierenheid barmhartigheid

voortgezet gebed (der „kerkelijke uren") werden uitgenoodigd — luidde het: „lienedicamus Domino". „Laat ons den Heer zegenen"; na „requiem-missen: „requiescant in pace", „dat zij rusten in vrede." De archaeologische grond, waarom op boetedagen en in rouwmissen de formuul van „Ite missa est" niet werd gezegd, is, althans volgens Hefele: Beitrage, dat na de requiem-diensten nog de gebeden voor de afgestorvenen (absolutis ad tumbam) volgden en dat, ook op de boetedagen, nog onderscheidene gebeden moesten verricht worden; in beide gevallen kon aan de geloovigen het oogenblik van vertrekken alsdan nog niet worden aangekondigd.

(') In latere eeuwen ingevoegd.

(!) Namelijk als eere-, dank-, smeek-, zoen-offer.

Sluiten