Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dc Joodsche priesterschap was gekleed in een geheel eigene tempeldracht, waarvoor Jehovah's verordeningen (*), de nauwkeurige aanwijzingen hadden verstrekt. Die plechtige dienst-gewaden bezaten buitendien zeer uitvoerige, symbolieke beteekenissen, welke door de middeleeuwsche liturgisten nog aangevuld en vervolgens op onze eigene, kerkelijke paramenten (2) werden toegepast. Dit geschiedde vooral met betrekking tot de voornaamste deelen van het hoogepriesterlijk ornaat, namelijk: de lange, wit-linnen tuniek of talaar (kethonet); den lendengordel, (abnet) met zijne purperen, karmozijnen en blauwe ornamentatie; het purper-blauwe opperkleed (meil) en de veelkleurige schouderbedekking (ephod). Dat deze een bepaalde gelijksoortigheid met onze liturgische gewaden vertoonen en eenige hunner — bij latere ontwikkeling — als voorafbeeldingen (prototypen) dienst hebben gedaan, heeft eene degelijke, wetenschappelijke waarschijnlijkheid.

Wij kunnen echter deze belangrijke, historische zijde der kerkelijke gewaad-kunst thans niet verder in het licht brengen, evenmin als wij hier de bewijzen kunnen aan\oeren ten bate der volgende, door ons voorgedragen meening. Overeenkomstig de latere, archaeologische gegevens namelijk, is het niet aan te wijzen, dat de kerkelijke priesterdracht bij de h. Mis, in de eerste tijden der apostelen en hunner onmiddellijke opvolgers tot na de \ijfde eeuw, zich in wezen zou hebben onderscheiden van de plechtige statie-kleeding in het maatschappelijk leven der burgers te Rome. Zoo is b.v. de albe uit de witte teest-tuniek (tunica alba, poderis, talaris, camisia) der Romeinen tot een gewijzigd, liturgisch pleeggewaad aan-

C-) Gelijk blijkt uit Levit., Exod., Num.

(') Zie b.v. Summa theol. Thom. Aq.: i; a; q. 102; a, 5.

Sluiten