Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE AMIKT (')

oudtijds ook „humeraal" of „schouderdoek" geheeten, brengt den doek in herinnering, waar men de oogen des Heeren smadelijk mee bedekte, hem vragend: „Profeteer ons, Christus, wie is het, die U geslagen heeft." Ook onze voorvaderen der zestiende eeuw konden deze verklaring b.v. uit hun gebedenboek, „Der Sielen Bogaert" vernemen, waar men leest: „Naemaels set hij dat Humerael op sijn hooft, welc de doec bediet, waer mede de Joden dat eerweerdich aensicht Christi bedecten."

DE ALBE (2)

is het witte spotkleed, waarmede Herodes en zijn hof de eeuwige Wijsheid als een dwaas verguisden.

DE CINGEL (s)

wijst op de koorden, waarmede Christus in den lijdenshaf door de beulsknechten werd gebonden en tevens op de banden, waarmede Hij aan de geeselkolom was gehecht; ook op de riemen zijner bloedige geeseling.

DE MANIPEL («)

spreekt van de koorden of banden, waarmede Christus „als een misdadiger" werd geboeid.

DE STOOL («)

verzinnebeeldt den kruislast, welken de Heiland had te torsen, ofwel de koorden, waaraan men Hem voortsleurde.

I1) Witte, linnen doek, geworpen — van daar „amictus" — over hals en schouders, (humerale); oudtijds ook over het hoofd gedragen, gelijk thans noff bij eenige kloosterorden.

O LanS' wit' linnen kleed, dat het lichaam van hals tot de voeten bedekt (») Koord, waarmede de albe om het middel wordt samengehouden. O Smalle zijden strook aan den linker arm des priesters; oorspronkelijk een in de hand gedragen (manipulus), voor praktisch gebruik bestemde doek • een tranen- of zweetdoek, (sudarium.) Het juiste verband tusschen dezen oorsprong en het tegenwoordig, liturgisch gebruik is nog niet duidelijk aan te geven. ' (•) Lange, smalle strook van den hals tot aan de knieën, op de borst ge-

Sluiten