Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PATEEN, (»)

waarop het hoogheilig Lichaam rust,

a. riep den boom des kruises in het geheugen terug, welke het goddelijk Offer gedragen heeft.

b. Aan den vorm en den naam der pateen (van patére, openstaan) ontleende men de mystiek van een wijd geopend hart (2 Cor. 11), in het bizonder der apostelen, wier ziel voor Christus' leer geheel toegankelijk was; doch in de bange lijdensuren — waaraan de Canon herinnert — vluchtten zij bevreesd en hielden zich enghartig tot aan de Verrijzenis schuil. Zoo ook verhult men in plechtige diensten de pateen (het liefdevol hart dus) onder het velum, en in stille missen onder het corporale (latibulum); in beide gevallen, van het begin des Canons tot aan zijn einde, het Pater Noster. (*)

c. Beide, kelk en pateen, zijn het beeld van het „nieuwe graf" des „Nieuwen Verbonds", waarin de Zaligmaker onder ons wil rusten; een symbool ons door de Kerk aangewezen in hare liturgische wijding: „dat deze heilige vaten, door de genade van den heiligen Geest, een nieuw graf mogen zijn voor het Lichaam en Bloed des Heeren."

d. Beide zijn ook goudene vaten (3) en verkondigen in

(!) Een gouden of verguld schaaltje, waarop de hostie gelegd wordt.

(') De historische aanleiding tot het bedekken der pateen mag de volgende zijn. Oudtijds was zij zeer groot van omvang en diende slechts tot het deelen der h. Hostie, na het „Pater Noster". Tot aan dat gedeelte der h. Mis werd zij bewaard niet zelden door een leek als akoliet, welke de heilige vaten niet mocht aanraken en haar daarom, met een doek bedekt, in de handen droeg. Na het „Pater Noster" bood hij haar dan den priester aan.

(3) Althans moet minstens de beker (cuppa) aan de binnenzijde verguld zijn; de kolom of baluster, de greep (nodus) en voet kunnen van minder waardig metaal zijn vervaardigd.

Sluiten