Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geleidelijk omhoog liep, nu stond ons nog een werk te wachten, dat niet minder moeite zou kosten. Nu begon de eigenlijke beklimming van den Vesuvius eerst.

Hier geen steenen, doch allemaal grof zand en zwarte, korrelige ascli, een enkele keer afgewisseld door wat lavasteen.

Wanneer men als leek den nu nog af te leggen weg met het oog mat, zou men denken, er niet langer dan een half uur over werk te hebben, doch het kwam anders uit. We marcheerden gestadig naar boven; het ging heel langzaam, want als men nauwelijks een pas of tien had gedaan, was men al weer moe, tenminste ik, die het bergbeklimmen zoo goed niet gewoon was als de Denen. Zette men den voet niet dwars, dan gleed men weer een eind naar beneden.

Daar ik in 't achterste gelid was, kreeg ik van een der Denen zijn stok, die me uitstekende diensten bewees. Dat het in het zand even slecht liep als op de steenen, merkten we nu. Alleen hadden we nu voor, dat het zacht was aan de voeten. Niettegenstaande dat, was het een aangename verrassing, als we eens weer een eindje een bodem van harde lava onder de voeten hadden.

Halverwege naast den kabelspoorweg voerde een klein paadje ons tot vlak naast de rails. Om wat steun te hebben, pakten we de eene rail met de linkerhand beet en liepen dan zoo gebukt omhoog. Hoe hooger we kwamen, hoe steviger het paadje werd, dat uit eene trap bestond van kleine kubussen van eene afmeting van misschien een paar decimeter, terwijl ze ongeveer een halven meter van elkaar verwijderd waren.

Op een gegeven oogenblik hoorden we in eens een geratel. We keken en zagen de twee kabels, die tusschen de rails

Sluiten