Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen; mijnheer Colioudis woont op de eerste étage", antwoordde ik, niet anders denkende, dan dat ze den Directeur van 't hotel moesten hebben.

Ik wou dus de deur weer sluiten, en zou juist den sleutel omdraaien, toen geheel onverwachts de deur wijd open gesmeten werd en de heeren, twee rechercheurs, op de hielen gevolgd door een politieagent, op mij toeschoten en schreeuwden: „Neen, wij moeten jou hebben!"

„Mij:\»

„Ja! Je moet direct op 't politiebureau komen, de commissaris van politie wacht op je!"

„Nou, daar snap ik niks van! maar heeren, houdt U bedaard, gaat U even zitten, dan zal ik mij aankleeden."

De heeren namen plaats op eene canapé, terwijl ik mij onder hun toezicht mocht aankleeden. Toen ik klaar was, ging t in optocht naar beneden, de trappen af; de agent voorop, dan ik, en achter mij de beide rechercheurs. Heneden werd het hotelboek opgeslagen, en om blijkbaar alle zekerheid te hebben, dat ze den waren Jacob te pakken hadden, werd mij gevraagd, terwijl ze op den naam „Tjaarda" wezen, of ik dat was, waarop ik natuurlijk geen neen kon zeggen.

Hierna ging 't in dezelfde volgorde de gang door naar buiten, waar de rechercheurs mij bevalen, den agent te volgen. De beide rechercheurs bleven nu achter, en zoo stapten de agent en mijn persoontje in flinken pas door de straten van Athene. Om niet te veel de aandacht op straat te trekken, trachtte ik den schijn aan te nemen, alsof ik met den agent heel goede maats was, doch mijne uitnoodigende vriendelijkheid werd telkens met een norsch gebrom beantwoord. De agent verwaardigde zich niet, een woord tot mij

Sluiten