Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in- en uitgaande regten met de inklaring der schepen belast, en voorts die brieven, in zooverre zij onder hunne eigene bewaring of van personen tot de bemanning van hun schip behoorende, zijn, dadelijk na hunne aankomst in de haven of op de reede, op het naastbij gelegen postkantoor, tegen een bewijs van den goeden ontvang en de uitbetaling der bij art. 19 (1) bepaalde uitkeering, te doen afgeven; ten ware dezelve reeds vroeger van wege het postkantoor mogten zijn in ontvang genomen.

Bijaldien zij het doen van die voorloopige aangifte verzuimen, zoodat er later bij hen brieven aan boord worden gevonden waarvan bij de inklaring had behooren te zijn melding gemaakt, of ook wanneer zij nalaten de brieven, binnen den tijd van 24 uren na hunne aankomst, op het postkantoor te doen afgeven, vervallen zij in de straffen op het verboden vervoer van brieven vastgesteld.

Art. 29.

De gezagvoerders van alle uit de havens van het Kijk naar eenige buitenlandsehe zeehaven of naar de koloniën bestemde schepen zijn verpligt de brievenmalen mede te nemen, welke, namens de postadministratie, bij hen worden aan boord gebragt, daarvoor een bewijs van goeden ontvang af te geven, en die te bezorgen op het postkantoor in de haven der bestemming, zoodra zij daar aankomen.

Zij worden niet uitgeklaard, indien zij weigeren de brievenmaal mede te nemen.

Zie de aant. op art. 29 der wet v. 1870.

(1) Aan de aandacht van den {wetgever van 1870, die art. 28 der wet v. Ib60 ongewijzigd liet, ii ontsnapt dat art. 19, waarnaar hier verwezen wordt, ii vervallen. In plaats daarvan zal behooren gelezen te worden: art. 29 der wet v. 1870.

Sluiten