is toegevoegd aan uw favorieten.

Vragen en opgaven bij de Meetkunde voor aanstaande onderwijzers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Twee der hoeken van een driehoek zijn 473 en 52®. Bereken den hoek, waaronder de hoogtelijnen op de overstaande zijden elkander ontmoeten.

V. CONGRUENTIE VAN DRIEHOEKEN.

1. Van een gelijkbeenigen driehoek is de tophoek tweemaal zoo groot als elke hoek aan de basis. Bereken de hoeken.

2. Van een gelijkbeenigen driehoek is elke hoek aan de basis tweemaal zoo groot als de tophoek. Bereken de hoeken.

3. Van een gelijkbeenigen driehoek is elke hoek aan de basis 30° kleiner dan de tophoek. Bereken de hoeken.

4. Bewijs dat twee gelijkbeenige driehoeken congruent zijn, als ze gelijk hebben:

a. de basis en een hoek aan de basis,

b. de basis en den tophoek,

c. een der beenen en den tophoek, of

d. de basis en een been.

5. Bewijs dat twee rechthoekige driehoeken congruent zijn, als ze gelijk hebben:

a. de hypotenusa en een der scherpe hoeken,

b. een rechthoekszijde en een der scherpe hoeken,

c. de twee rechthoekszijden, of

d. een rechthoekszijde en de hypotenusa.

6. Bewijs dat twee gelijkzijdige driehoeken congruent zijn, als de zijde van den eenen gelijk is aan die van den anderen.

7. Bewijs dat twee congruente gelijkzijdige driehoeken gelijke hoogte hebben.

8. Bewijs dat twee gelijkzijdige driehoeken congruent zijn, als ze gelijke hoogte hebben.

9. Als men, langs den omtrek van een gelijkzijdigen driehoek