is toegevoegd aan uw favorieten.

Vragen en opgaven bij de Meetkunde voor aanstaande onderwijzers

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVII. VERDEELING VAN FIGUREN.

1. Verdeel een driehoek in 3 gelijke deelen.

2. Verdeel een driehoek in 3 deelen, die zich verhouden als 1:2:3.

3. Verdeel een driehoek in 3 gelijke deelen, door uit een punt in een der zijden lijnen te trekken.

4. Als men in een gelijkzijdigen driehoek de drie loodlijnen trekt, ontstaan er zes driehoeken. Welke deel is elke kleine driehoek van den geheelen driehoek?

En hoe verhouden zich de stukken, waarin elke loodlijn verdeeld wordt?

5. Verdeel een parallelogram in twee gelijke deelen, op verschillende manieren.

6. Verdeel een trapezium in twee gelijke deelen:

a. door eene lijn te trekken van een der evenwijdige zijden naar de andere;

b. door eene lijn te trekken uit een der hoekpunten.

7. Van een trapezium zijn de evenwijdige zijden 6 en 8 cM. Hoe verhouden zich de deelen, waarin dat trapezium verdeeld wordt door een lijn, die de middelpunten der beenen vereenigt?

8. Als men in dat trapezium uit het middelpunt van het eene been lijnen trekt naar de uiteinden van het andere been, ontstaan er drie driehoeken. Hoe verhouden zich hun oppervlakken?

9. Verdeel een willekeurigen vierhoek in twee gelijke deelen.

10. Van een parallelogram ABCD wordt de basis AB door de punten E en F in drie gelijke deelen verdeeld. Daarna worden de lijnen DF en CE getrokken, die elkaar in G snijden. Hoe verhouden zich de vier deelen, waarin het parallelogram is verdeeld?

11. In een driehoek trekt men uit de uiteinden der basis lijnen naar het midden der opstaande zijden, waardoor