is toegevoegd aan uw favorieten.

Rinske Sonnema

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want verder dan een traan die in den oog-hoek hangen bleef kwam 't niet.

Of hij bedroefd was? Hij was gebroken van smart. Daar ging z'11 Sjoukje, z'n beste, trouwe, ferme Sjoukje — sin wifke. In een knaphandig vierkant uitgehouwen kuil werd ze neergelaten, wel in een kist, maar na een half jaar, een jaar, wat dan?

„Ik ben de Opstanding en het Leven," soesde het in hem. „O, mijn God, ja — dat — was — zoo, en toch

— die kuil, die kist! Hoe lang zou ze het uithouden die kist?"

loen hij daar stond, zag hij haar op eens weer voor zich zooals ze was — acht en twintig jaar geleden bij hun eerste ontmoeting op 't ijs. Wat was ze mooi, Friesch-mooi met haar frisch wit-en-rood, zelfs door 't hel oplachen bij een grap haar ronde cordaatheid verradend. Ze wou met haar broer — z'n academievriend

— en hem, op één dag de elf steden langs. Hoe pruilde ze bij hun weigering! Plomp — dat was de eerste schep zand — op z'n Sjoukje. Sjoukje, Sjoukje dood! Wat was ze een aardig moedertje geweest! Trotsch op haar Sjoerd, in haar oog een engel, al zag hij zoo rood als een kreett en vonden de buren in hun hart hem ook foei-leelijk. Daar kwam hem dat liedje weer eensklaps in 't hoofd, dat liedje dat ze meestal zong wanneer hij niet slapen wou:

„Hoet, hoet, hynke,

Te Ljouwert om ien pynke,

Nei Snits om ien wittebrea,