is toegevoegd aan uw favorieten.

Rinske Sonnema

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij stond op en lei z'n grove hand zachtkens tegen haar schouder.

„Wees vrij bedroefd, Rinske, maar niet als degene

die geen hope heeft. Wij weten immers dat moeder

bij den Heer is! - Kom, kind, laten we samen bidden."

Hij vouwde de handen reeds — maar Rinske keek hem met groote angstige oogen aan. Haar tranen waren gedroogd - een ontzettende spanning verwronhaar schoon gelaat.

„Vader — gelooft u dat?"

„Rinske," riep hij wanhopig, „geloof jij dat dan met? Leert de Schrift des Nieuwen Verbonds niet op elke bladzijde, dat God geen God der dooden maar der levenden is, en heeft onze gezegende Heiland die ten derden dage opstond uit 't graf, niet 't leven en de onverderfelijkheid aan 't licht gebracht?"

Weer sloeg ze haar oogen op hem - nu stonden ze onbeweegelijk, vol vertwijfelden ernst.

„Vader — ik geloof dat niet meer!"

Hij vorschte niet naar 't hoe en waarom; hij stond als vastgeklonken aan den bodem. Een groote donkerheid kwam over z'n ziel, de donkerheid van een naderend onweer. Reeds flitste het toorn-licht over z'n trekken.

„Vader," smeekte ze, al stond ze naast hem, onbewegelijk, met de majesteit van 't resolute, „vader, wanneer ik dat niet meer geloof, wil u dan dat ik het zal veinzen? Zou 't geen huichelarij zijn, geen verfoeie-

SONNEMA. 2