Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t gras verder ging, nu langzamer dan straks, in gedachten aan 't stervend leven daar ginds, hoorde hij voetstappen. Hij keek achter zich en zag een net gekleed heer van om en bij de vijf en twintig. Onder den grooten lichten stroohoed blikten een paar bruine, intelligente oogen hem vriendelijk tegen als waren ze blij om de afwisseling na 't slaperig eenerlei van een in de zon brandend weiland. Hij droeg een bril en aan zijn kin hing een elegant sikbaardje, zorgvuldig onderhouden. Een grijs zomer-costuum omsloot zijn rijzige figuur — op en de op een dandy bij ongeluk verzeild tusschen boeren.

De heeren lichten wederkeering den hoed.

„Fameus warm, vindt u niet?" vroeg de vreemde, hem op zij tredend, in hoog-Hollandsch.

„Deeg, wou dominee weer zeggen, maar hij zei: „verbazend, meneer."

„Mag ik me even aan u voorstellen? Mijn naam is Smitz, sprak hij na wat gekeuvel.

„Een Hollander," dacht dominee. „Hier in Friesland doen ze dat zoo gauw niet, en wanneer ze het doen, gaat t op een andere manier."

„Ah, dan is u zeker de nieuwe dokter van Ralingawier?"

„Om u te dienen. En u?"

„Mijn naam is Sonnema; ik ben predikant te Lanewirden."

„Dat ligt hier dicht bij, als ik 't wel heb?" „Een twintig minuten loopen van Ralingawier. —

Sluiten