Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oprechtheid van z'n geloof en het durven van z'n overtuiging. Ze snakte naar afleiding omdat haar geest rusteloos bezig was met denkbeelden, die haar de ziele-warmte onttrokken, maar wie ze nu eenmaal de bloemen van haar teere, reine Ikheid strooien moest. Ze had meer ontzag voor 't geloof van haar vader, dan voor haar eigen niet-geloof. Doch ze miste nu eenmaal dat geloof, en ze wou consequent wezen; ze wou het ontkennen onder de oogen zien, ze wou weten waarom ze recht had te zeggen: dat is niet waar. Smitz had haar dit gegeven, en onbewust, als vergoeding voor 't begraven der laatste illusie, in haar een machtige liefde weten te wekken tot hem zelf. Kwamen ze overeen in karakter, had gemeenschappelijke levensopvatting haar eigen stempel gedrukt op beider persoonlijkheid? Ze wist beter. Smitz was vroolijk, levenslustig en zeker niet altijd bezig met 't geen haar vervulde. Maar — zoo maakte zij zich wijs — zij worstelde nog en hij had gevonden, hij had vrede gevonden en was blij in z'n ongeloof; bewijs dat niet gelooven geen somberheid kweekte, maar de veerkracht staalde om te leven het volle zinne-leven, zonder 't „raak niet en smaak niet" van den „Godvreezende".

In Smitz was de „wereld" voor haar opgelicht uit de donkerheid van een vaag vermoeden; niet de lage, vuile wereld van bezoedelde verbeelding, neen, de wereld van geest, van smaak en vernuft, de wereld, ruim van blik, die genieten wil wat mooi is, en zich te chique acht voor de stegen en sloppen, omdat ze

Sluiten