is toegevoegd aan uw favorieten.

Rinske Sonnema

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telijkheid tegenover haar teruggetrokken begroeting, die geen slag bezat voorkomend te zijn éér vertrouwelijkheid den grond ertoe had gelegd. Ze was al dadelijk wat verbluft. Maar 't zou wel wennen: ze had nog nooit in Holland gelogeerd.

Meneer en mevrouw, Betsy, Truida en Jan, ze overtroffen elkaar in een liefheid, die haar verlegen maakte en toch niet genoeg aanstond om op haar wijze lief terug te zijn. Ze week wat schuw er voor op zij, zooals de eenzelvig geworden celibatair voor kindergemorrel aan z'n knieën, of de honden-hater voor de vuile pooten, die lomp aan willen springen tegen z'n broek.

En toch deden ze zóó hun best, en toch vergaten ze dat Rinske geen cent zou meebrengen en haar vader gruwelijk onbeleefd was geweest.

Rinske was stug omdat ze niet vriendelijk kon zijn, met den besten wil niet. Een gevoel van groote walging kwam over haar, waar zij staarde in de leegte van dat nietsbeduidend, geesteloos gebabbel. Er zat in die menschen geen merg, ze hadden nooit strijd gekend en ze zouden nooit strijden — nooit!

Namen ze iets au sérieux? Neen, dan was Fred toch anders. Anders?

O, als haar verbeelding hem plaatste in dat milieu — hartelijke wezens, meer niet — dan kregen de enkele trekjes die haar niet bevielen zulke scherpe hoeken. Allerlei vage gedachten deden haar hersenen pijn, waar ze verdreven door een ijzeren wil, eensklaps met geweld terugkeerden; nu ijselijke werkelijkheden, in lange

8*