is toegevoegd aan uw favorieten.

Rinske Sonnema

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, moeder."

„Nu, ze heeft misschien gelijk. Consequent is ze wel — dat 's zeker; consequenter dan iemand van haar kennis. Maar toch — een raar volkje, die Friezen."

„Aanstellerij," smuuspelde Betsy.

„Wat zeg je daar?" vroeg Fred, boos wordend.

„O, niets!" klonk 't antwoord, en ze deed de voordeur open.

Zoo gingen ze henen, het huis latend aan de stilte.

Maar in den tuin zat Rinske hartstochtelijk te huilen. Het gevoel van een onmetelijke en onpeilbare leegte zonk in haar neer, en haar ziel bloedde bij 't doorsnijden van den laatsten vezel die haar verbonden hield in ziel-gemeenschap met een ander. De hoogtijd van hun samenleven was weg. Diep daarbinnen werd een vloek geboren, welks kiem zij zelve nog niet kende; een vloek over hem, die haar gedreven had naar de spits van een overtuigd, een vurig, een schier geestelijk materialisme, en nu zelf wegliep, sliep-uit-spelend als een straatjongen.

En toch waren 't enkel donkere instinkten waaruit haar smart geboren werd.

Nu besefte ze nog niet dat 't zoover komen kon.

N u schoof haar liefde, de vleeschelijke liefde van haar gezonde jonkheid, nog alle schuld op den kring waarbinnen hij zich te lang bewogen had. Dat Smitzsche liberalisme was haar als lauw water in den mond, en telkens als ze eraan dacht rees haar vader met z'n stoer geloof fier voor haar omhoog. O, had ze kun-