is toegevoegd aan uw favorieten.

Rinske Sonnema

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeker, jongen, maar — zoolang 't de opgewektheid van een Paulus niet is, ben ik bang dat . . .

Een vraag lag in Sjoerds blik.

„Dat één groote smart die opgewektheid kan doen verdwijnen."

„Is u opgewekt, vader?"

Sonnema keek peinzend voor zich. Toen schudde hij 't hoofd.

„Neen, Sjoerd, dat ben ik, helaas, niet. Je hebt gelijk — ik heb 't nog niet gegrepen, waartoe ik toch van Christus gegrepen ben. De geest is wel gewillig, maar 't vleesch . . ." Hij maakte een afwerend gebaar, als wou hij z'n zielepijn wegjagen.

„Wil je nog een kop koffie? Niet? Ga dan eens mee naar den tuin. 't Is een lust zooals de appelboomen staan."

Ze drentelden een langen tijd dezelfde laantjes heen en weer, telkens hier en daar stilstaand, en ze lieten «1e stemmen van binnen niet aan 't woord komen onder 't gepraat over kleinigheden.

De wagen kwam op tijd voor. 't Was een logge barouchette, aflegger van een stads-huurkoetsier, met kletterende ramen en verschoten, mottig bekleedsel, schuddebollende van ouderdom op haar slappe veeren.

Sjoerd had er weinig hinder van; hij leefde met z'n ziel in iets anders, en z'n hossend lichaam leefde stil mee. Het was z'n innigste wensch die twee met elkaar te verzoenen, want al dacht hij gelijk z'n vader, hij miste diens hardheid en ijzige consequentie. . . . Hij