is toegevoegd aan uw favorieten.

Rinske Sonnema

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar 't jammerlijkst is," beefde haar stem hem tegen, terwijl ze 't kind met beide handen omknelde, 't arme wezentje, dat soezend voor zich keek, ,,'t jammerlijkst is, dat 't nu uit is tusschen ons; want bij al wat ik heilig noem, Smitz — ik minacht je!"

„Je bent ziek," antwoordde hij met een poging bezorgdheid in z'n stem te leggen. „Dat wil ik er tenminste maar voor houden, anders . . .

„Anders?" tartte ze.

„Zou ik je bevelen te zwijgen. Die toon is minstens ongepast."

„Dus ik mag je wel verachten in m'n hart? Neen, Smitz, zoo iets doet een echte Friezin niet. Je begrijpt toch, dat 't lang in me gerijpt is, en het er nu uit moet — moet?"

Hij zei niets. Op zijn gelaat gloeide een diep rood, terwijl zij marmerwit zag. Met bange oogen keek hij naar buiten. Wat een allerberoerdste scène was dat!

„Dus — begrijp me goed," liet ze volgen, oogenschijnlijk kalm het kind sussend, dat was begonnen te schreeuwen. „Het is gedaan tusschen ons. Jij gaat voortaan jouw weg en ik den mijnen: we zijn dood voor elkaar — voel-je — dood; en als ik Sjoukje niet had dan . . .

„Jij met je malle ongeloof; m'n hemel, je maakt er een afgod van!"

Geen flauw denkbeeld bezat hij van den vreeselijken ernst waarmee ze gesproken had, een ernst door lichaamszwakte tot fanatisme opgezweept. Nog altijd