is toegevoegd aan uw favorieten.

Rinske Sonnema

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was voor haar vader, maar door de valsche schaamte

van haar trots.

Haar eenige taak in dat huis, waar ze in stom vis a vis soms tegenover haar man moest zitten, die eindelijk begon te begrijpen dat haar afkeer onoverwinnelijk was en z'n huwelijk verwenschend, troost zocht buiten — in 't verkeer met anderen, in 't plakken op de societeit — haar eenige taak was de zorg voor Sjoukje, die niet groeien wou en wegteerde met de gedweeheid van een zuigeling, die dommelend door verzwakking, de voetstappen hoort naderen van den grooten Dood, zonder ze te herkennen, omdat hij niets kent — niets.

Op een Mei-morgen nam Hij haar mee, stillekens mee; van den schoot der moeder nam Hij haar op, na nachten van waken en sidderen.

Want zij had Hem al lang hooren komen al

heel lang!

Roerloos zat Rinske naast het lijkje zonder tranen. Haar man en de menschen werden bang voor

haar: zou ze krankzinnig worden?

Maar Rinske was volstrekt niet krankzinnig. Ze zag alleen niets. Een diepe donkerheid kilde om haar —

een eindelooze zwarte ruimte. En in dat donker

hoorde ze telkens en telkens een woord dat zich strengelde om haar lichaam, dat kroop in haar bloed, dat rukte aan haar zenuwen, dat sloeg op haar hersenen: „Weg! — weg! — weg!"