Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een boerenkar bolderde voorbij.

Gelukkig, hij niet! Ze kreeg weer een oogenblik rust, tot ze opnieuw iets hoorde of zag, dat haar dwaas-

angstig maakte.

Als Smitz eens onderwijl was thuisgekomen — te vroeg thuisgekomen, en haar achterna zat! Hoorde ze

weer niet iets achter zich?

Zoo ging 't door tot ze bij 't station kwam. Ze was bijna te laat geweest: de trein stond voor 't perron. Vlug nam ze een kaartje, en eer ze 't wist zat ze m

een coupé.

Vredig sluimerde het dorp in den killen maneschijn, met een kalmte uit kracht geboren, een koude steen-massa, die lachte om den Wintervorst.

Maar achter die steenen vibreerde het leven, smeulde de passie, brandde het vuur.

Beeld van haar Friesland!

Zou ze het ooit weerzien?

Het ratelend jagen van den trein door de schimmige vlakten, gaf haar rust. Ieder seconde bracht haar verder weg en dichter bij de stad, waar ze voortaan leven zou en werk zoeken. Best mogelijk, dat Smitz haar vroeg of laat zou vinden, maar wat gebeuren mocht _ terugkeeren deed ze nooit, al dreigde ook honger

en ellende.

Moe lei ze 't kloppend hoofd tegen de kussens en

sloot de oogen.

't Was alsof ze uitgestooten werd van den Hemel,

Sluiten