Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wanneer ze niet wil?"

„Welnu, dan heb ik recht echtscheiding te vorderen," zei Smitz bruusk.

„Om u te bewijzen dat ik 't ernstig meen en erken, dat u volle recht heeft Rinske terug te eischen, die zich als wettige vrouw aan u verbond — ik heb aan m'n zoon Sjoerd geschreven en hem gevraagd of hij met u Rinske wil opsporen."

„Ik begrijp u niet — u is ondoorgrondelijk. Uw zoon Sjoerd .... hm . . . ."

„Natuurlijk, zoo u niet wil .... Hij is anders vrij wel bekend te Amsterdam, omdat hij er een paar jaar op kantoor is geweest."

In de gegeven omstandigheden vond Smitz 't voorstel toch nog al aannemelijk.

„Wanneer kan hij hier zijn — er is haast bij."

„Ik denk morgen-ochtend."

„Goed — dan kom ik morgen na twaalven terug."

Met een vluchtigen groet nam hij afscheid, in z'n binnenste razend op dien fijnen kwezel, die twee menschen in zich vereenigde, een geestelijken en een zinnelijken.

Thuisgekomen, schreef hij dadelijk aan z'n ouden heer en vervolgens aan den Hoofd-commissaris van Politie te Amsterdam, 't Was 't best wat voort te maken.

Toen meneer Smitz den brief van z'n zoon gelezen had, was hij razend. Woedend schold hij op orthodoxen en radicalen, op geloof en ongeloof, op Fred,

Sluiten