Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en m'n twee zusters veertien en zestien. Ik werd als een jongeheertje opgevoed: de school waar ik ging was peper-duur, en ik kreeg pianoles van een meester die viJf gulden voor 't uur vroeg. Op m'n dertiende j<iai zond de oude heer me naar de Hoogere Burgerschool, ik moest koopman worden als hij, maar ik vond 't gewoon afschuwelijk. Talen en geschiedenis trokken me 't meest aan, de rest liet me koud en verveelde me. Ieder jaar ging ik over, ofschoon 't me niets schelen kon. Eén passie had ik: de muziek. Honderd maal zei ik tegen m'n vader dat ik daarvoor wou worden opgeleid. „Dat is geen betrekking," beweerde hij. „Iemand uit onzen stand kan geen artist zijn." Ik meende van wel, want ik had toen al weinig begrip van standerigheid en stand-baantjes, maar natuurlijk moest ik me onderwerpen.

Na eindeloos zeuren kreeg ik m'n vader zoover, dat hij toegaf. \\ anneer ik de Burgerschool afgeloopen had, kon ik doen wat ik wou. Nu, zoo gebeurde 't ook. Je kunt begrijpen hoe blij ik was, toen ik 't diploma in m'n zak voelde. Ik was vrij — vrij om uren en uren te spelen. Een jaar bleef ik thuis, en deed daarop examen aan 't conservatoire te Leipzig, met succes. De familie, een paar rijke ooms en tantes, zetten wel verbaasde gezichten, vonden 't wel „commun," niet „comme il faut," en erg compromitteerend, maar wanneer ik ze in de vacanties bezocht, waren ze toch altijd erg lief en voorkomend tegen 't jongemensch, dat aardig wat te wachten had; ja oom

Sluiten