is toegevoegd aan uw favorieten.

Luide toernooien

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L, dartlende aan bebloemde zoom,

U bleef het spiegelklare stroom!

En daarom vouwdet gij de handen,

Toen de eeuwigheid haar sluier hief;

Gij hadt alleen onschuldig lief:

Het reukwerk dat de vromen branden!

Al hadt gij straks de bloeiende aard Met gretige oogen aangestaard,

Al zou ze u niets dan wellust geven,

Gij waart gereed in vlugge vaart Naar 's hemels Englen op te zweven!

Uw lippen plooiden zich ten: »Vader!"

Gij hebt hem onbespied geloofd;

Ik trad, u, Heilige! niet nader;

Mijn aardsche drift hadt ge uitgedoofd; Ik smeekte zegen op uw hoofd!

Maar toen ik vele blijde dagen En schoone jaren voor u vroeg,

Mijn oogen op een duinroos sloeg,

Waaraan een wreede worm mocht knagen, De half geslaakte beê bestierf....

Schoon 't ouderhart u noode dierf,

Wie zou u weer op aard verlangen,

Wier onschuld zich de kroon verwierf Die wij ten prijs van boete ontvangen?

Wij bereikten met dat gedicht het jaar 1840 en nu wordt met het meesterschap over de strofe een andere hollandsche trek duidelijk: de voorliefde voor de kleurige bizonderheid.