Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geslingerd of 't nog groende, in zwier van lijnen Niet naar 't gewuif dier lokken glad en zacht ? Een mannenschaar als deze mag verschijnen

Aan zulk een disch, voor gulzaards niet belaên,

Noch 't helder hoofd bedreigend door zijn wijnen;

In elk van hen zit kunst, zit kennis aan.

De vreugde strijk' dier tronies plooien effen,

Hunne achtbaarheid is schuil, niet zoek gegaan, — Maar zou van ver die zang uw oor niet treffen,

Ginds waar de zon, langs 't wapenschild gegleên Dat naar zijn kruis den blik u op deed heffen,

Haar stralen op dien minnegod van steen

Verzamelt, tot uit dier fonteine waatren

't Van paarlen ruischt ? mij trekt het hart erheen. Alras verzaad, vermeidt zich in dat klaatren

De jeugd van 't feest, — zij danst het bloemperk rond, Ze zingt, ze speelt! — Doch 't woelen en het schaatren Heeft eensklaps uit! Bedacht hij nieuwen vond,

De knaap die straks aan 't hoofd der rei zich stelde?

Hij bloost — hij slaat zijn blikken naar den grond, En 't kind in 't wit. dat blij hem tegensnelde,

Zij ziet zoo bleek hem worden als een lijk!

Geen vrage of ooit die krankte meer hem kwelde, Een lachje, als eens ons dat der englen blijk',

Verkondt hem haar verrukkend mededoogen,

Verplaatst hem in een lieflijk tooverrijk!

Zie, beurtlings spreekt er uit zijn donkere oogen

Sluiten