Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sloeg oud en jong, door 't steken der trompetten

Om strijd gelokt, hier 't lieflijk schouwspel ga Dier schoonen, op haar vurige genetten

Voortzwevende in der jonge riddren drom, Te dartel fluks het steigren te beletten

Stoof rechts en links een bloesemregen om?

Was de Amor straks, aan 't hoofd dier edellieden,

Den schalken stoet van deernen wellekom,

Tot hij haar koos die hem een kus moest bieden,

En, marde zij, de pijl vloog van de pees, En 't bruine kind, zijn hofnar onder 't vlieden

Toch niet ontgaan, geen vrede vond door vrees?

Wat keer des wegs ons uit dien kring moog sluiten

Sints zoet gekweel voor luid geschetter rees, Die pracht, die vreugd, die cymbels en die fluiten,

Die dubble lust betoovrende oog en oor Troonde eer zij 't wist de menigt meê naar buiten Waar 't Hof zich thans vermeidt in schemergloor.

Hoe 't wemelt in deez' weeldrige bosschaadjes,

De gangen dier kastanjedreven door,

Wier wuivend groen, of 't scherm waar der vrijaadjes

Een looverzee van iedren heuvel stuwt,

De bonte stoet van juffers en van paadjes,

Het liefste plekje er zoekend in de luwt.

Sluiten