is toegevoegd aan uw favorieten.

De coupeur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- Fig. 107. -

Toga voor Protestantsehe Geestelijke.

Maten.

Bovenwijdte. Rugbreedte .

96 cM.

19

59

Geheele lengte Halswijdte.

155 cM.

46

59

De rug.

Deze toga is een zeer ruim kleedingstnk met plooien op borst en rug van af de vlakke stukken eu dito plooien in de mouwen.

Het beste is, dit kleedingstnk op te stellen met behulp van een voor den cliënt passende buste, om reden liet vlakke schouder- en rugsi uk in gewonen vorm wordt gesneden.

De lengte van hel vlakke rugstuk is tot aan de breedte van de carrure (zie de punten A—B— C—D en E). Yan B tot H is 5 cM. en trek van af deze punten haaksche lijnen tot BI en Hl. Van B tol Hl moet rond bijgeteekend worden, welke ronding met het plooien weer recht wordt. Van H tot F is x/3 = 16 cM. (armsgatdiepte). De afstand F—P is 5 maal de rugbreedte, dus 57 cM.

Van P tot G is 1/6 = 8 cM. en van daar uit een haaksche lijn trekken tot H I.

De stofbreedte van H 1 tol B moet over de rugbreedte van B tot E ingeplooid worden, liet model van den rug is na ingeplooid te zijn als aangegeven op het figuur van E tot J.

De lengte van de toga is ongeveer 4 cM. van af den grond ''voor deze teekening I55cM.)

Trek van P tot K een haaksche lijn en geef van K lot K 1 voor de rugbreedte aan den onderkant V4.= 12 cM. toe.

Van K 1 tot L is o cM. en teeken de omtrekken van den rug als het figuur. Het

O # o

midden van den rug is de dichte kant van de stof.

Het voorpand.

De lengte van het vlakke voorpandstuk is Va = 6 cM. boven de armsgaldiepte van de buste (zie de punten U—V). Trek een haaksche lijn van W door V tot I. Van I tot 0 is o cM. Geef van 0 tot V de noodige ronding voor het inplooien. Van 0 tot N is V4 = 12 cM. (armsgatdiepte). Van M tot P is 3 maal de afstand W—V (voor deze teekening o X 21 = 63 cM.).

De stofruimte van W tot 0 wordt op de

Opstelling.

borst ingeplooid van W tot V. Van P tol N is V6 = 8 cM.

Het model van armsgat is, na ingeplooid te zijn, als aangegeven op de teekening van Y tot V. De halswijdte is van R 1 tot B 25 cM.

Teeken de halve borstlijn van af B 1 door

W en M met een weiniu rondimr tot aan den

o o

onderkant punt S. Aan het rechterpand moet van af de halve borstlijn 2 cM. worden aangesneden en aan het linkerpand 5 a 6 cM. De knoopenrij komt dan juist op de halve borstlijn Ie staan. De afstand van knoop tot knoop is 4 cM. Trek een haaksche lijn van P tot K en meet van K tot K 2 V2 = 24 cM. (voorpandbreedte). In den zijnaad wordt een zak geplaatst ongeveer 12 cM. van af het armsgat en 20 cM. ingang.

Het staande kraagje is 5 cM. breed en staat van voren 7 cM. van elkaar af. In deze opening moet de witte bef bevestigd worden. Zie Fig. A.

De witte bef bestaat uit 2 repen, elk 4 cM. breed, welke van boven 1 cM. over elkaar wordt gelegd om in de opening tusschen den kraag te kunnen passen. De lengte van de bef is 22 cM.

Langs den voorkant van het voorpand en over schouder en rug ter breedte van het vlakke stuk wordt fluweel gezet.

Fig. B. De mouw.

Trek een winkelhaak A—B en A—C. Van A tot C is 48 cM. Van A tot D is V4= 12 cM. Trek van af D een haaksche lijn tot E en van C tot F. Van E tot G is Vo = 8 cM., dezelfde afstand als de armsgatwijdte van de toga (zie de punten N—P). De mouwlengte van G tot H is 48 cM., waaraan nog 6 cM. wordt toegegeven van H tot F. De lijn A—B wordt langs den dichten kant van de stof gelegd. De afstand E—J I wordt glad in het armsgat gezet en van J tot A 1 ingeplooid. De punten E van de mouw en P van het armsgat komen met het innaaien op elkaar. Onder op de mouw wordt een strook fluweel gezet van 6 cM. breedte.