is toegevoegd aan uw favorieten.

De coupeur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Fig. 111. —

R.-K. Priestertoga.

De rug.

Deze toga kan, mei behulp van de Jacquelte, direct op de stof worden geteekend.

Men neemt dus een passende buste voor de te kleeden figuur en begint met de leekening van den rug.

Den dichten kant van de stof legt men voor zich op de tafel.

Neem den busterug en plaats dezen met punt A 1 cM. binnen den dichten kant van de stof.

Op de lengte van de taille punl B moet de rug 8 cM. binnen den kanl van de stof gelegd worden.

Door de lijn A—D wordt de middenrugnaad dichtgenaaid, waar achter de overbodige stof tot F wordt weggesneden.

De stofruimte (zie de punten B— C en D—E) vormt een dichte stolpplooi van af de taille tol aan de lengte.

De busterugbreedle op de taillelengte is 6 cM., waaraan voor den logarug 4 cM. wordt aangesneden, wat dus een breedte geeft van 10 cM. (zie de punten D—G).

De carrure wordt, om den ronden rugnaad

een goeden vorm te geven, '2 cM. breeder genomen (zie punt II).

De onderbreedte van den togarug wordt aangegeven door een lijn te trekken van A door G tot I.

Langs deze lijn moet van af G en I 4 a 5 cM. aangesneden worden voor plooi.

De lengte is voor deze teekening I40 cM., tot aan den grond gemeten.

Aan deze lengte moet voor den Pastoor nog een sleep gesneden worden van hoogstens 10 cM. lang (punt B). De Provinciaal draagt een sleep van 25 cM. lengte (punt C) en de sleep van den Bisschop is 50 cM. lang (punt D). Zie deze aangegeven punten op Fig. 111 a, waar levens de modellen aangegeven zijn hoe de slepen gesneden moeten worden.

Aan den binnenkant in het midden van de stolpplooi wordt een lus met knoopsgaten bevestigd voor het opnemen van den sleep.

Op punt K wordt deze lus vastgezet en door de ingebrachte knoopsgaten kan de sleep naar willekeur worden opgenomen, waarvoor een knoop wordt gezel in de taille (punt D).

Het voorpand.

Trek voor de leekening van het voorpand een haaksche lijn 0 a 7 cM. van af den kant (zie de punten A—B—C.)

Plaats de halve borstlijn van de buste tegen de lijn A—B en hel halspunt 1 cM. boven de lijn A—C (zie punl H).

Op de taille wordt o cM. van liet zijstuk afgenomen (zie de punten E—F) en de bovenkant van het zijstuk wordt 2 cM. korter gesneden, om reden de carrure 2 cJVI. is verbreed. De zijnaad wordt aan den onderkant 5 en van boven \2 cM. naar voren geplaatst om

- Fig. 112. -

dezelfde breedte te behouden (zie de punten R en S). Tusschen voorpand en zijstuk wordt voor tailleering 4 Va a 2 cM. uitgesneden.

V oorpand en schoot is uit een stuk gesneden. Hel zijstuk wordt apart ingezet om daardoor die opsnijding aan den schoot te kunnen geven, welke noodig is om op de lengte de ruimte gedeeltelijk in klokvorm naar het midden van het voorpand te verplaatsen.

De hoogte voor de opsnijding van den school is van F tot G 5 cM. De wijdte van het voorpand wordt aangegeven door een lijn te trekken van 14 door G en F. Langs deze lijn moet