is toegevoegd aan uw favorieten.

Het boek der sporten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vocht voor de verbreiding van den sport. In 1889 lezen wij in het orgaan van den A. N. W. B.: »Wij zagen te Scheveningen een dame op een veiligheidswieler en kunnen niet zeggen dat deze proeve als welgeslaagd beschouwd kan worden.« Het kost ons moeite om terug te denken naar dien tijd, wij, die thans onze vrouwen, onze dochters aanmoedigen om het wiel te bestijgen, wij, die vol welgevallen een elegante vrouw op het rijwiel zich een weg zien banen door de drukte, wij, die vinden dat juist de vlugheid van het wiel, en de sierlijkheid van bewegen, de elegance der vrouw nog verhoogen.

Er was in die dagen nog andere strijd dan tegen het veroordeel, de strijd tegen de gymnastiek-onderwijzers. Wij wielrijders zijn niet begonnen. De meesten onzer waren gymnasten, en wij waren bovendien nog op een leeftijd, dat wij die menschen als onze leeraars, onze meesters beschouwden.

Dat de gymnastiek — vooral de gymnastiek uit die dagen van op effectwerkerij — in den strijd tegen het rijwiel menige veer heeft laten vallen is nooit in den beginne de bedoeling van den wielrijder geweest en dat de bestrijders of geëindigd zijn met zich te buigen voor het idee sport in de open lucht of zelf maar stilletjes wielrijders zijn geworden, heeft zelfs de meest stoute bestrijder, een zekeren heer Quidam, nooit durven hopen.

Wat was het geval? Wij wielrijders, meerendeel knapen, vermaakten ons in de vrije natuur, zwolgen de frissche lucht met teugen in en zagen nieuwe werelden voor ons oog verrijzen, die ons idealen deden scheppen — in dien heerlijken leeftijd die ons, in zijn talrijke herinneringen de beste bagage voor onze levensreis meegeeft. Daar kwam ccn zekere heer, E. Minkman — een gymnastiekmeester uit Arnhem — een bom werpen in dit vreedzaam kamp. ITij keurde het wielrijden af en beweerde in het blad »01ympia« dat alleen de beenspieren werden ontwikkeld en de houding van een wielrijder niet deugde. (De goede man was blijkbaar een leek op wielrijgebied en had nooit tengevolge van het fietsen spierpijn in armen en borst gehad). Doch het was niet altijd'om de gezondheid dat de heeren gymnastiek-onderwijzers zich bezorgd maakten, de Heer Minkman en anderen die hem volgden hadden het ook druk over slemppartijen en nachtelijke schandalen. Ja, van de wedstrijden werd wel eens gebruik gemaakt, door niet-wielrijders meestal, om den boel eens wat op te scheppen, maar wij, jongeren, wij wielrijders hebben ons nooit aan dergelijke uitspattingen overgegeven. Om een enkele der ouderen, werd door de heeren gymnastiek-paedagogen — die het maar van hooren zeggen hadden omdat zij nooit in ons gezelschap verpoosden — de sport veroordeeld. Trouwens toen ter tij'l is voldoende weerlegd dat dergelijke euveldaden niet het gevolg waren van onzen gezonden sport. Al dat weerleggen, al dat strijden hielp echter slechts langzaam; tegen de adviezen in van heeren medici, in liet binnen- en buitenland, bleven de heeren gymnastiek-onderwijzers den wielersport als ongezond afkeuren en als een andere Sint Joris dezen, draak bestrijden, doch gelukkig niet met gelijk succes.

Wij zullen ons hier niet verder in dezen strijd verdiepen, want wij hebben de

31