is toegevoegd aan uw favorieten.

Het boek der sporten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ooms in zijn glorietijd. > Triton* had de heer D. T. van Duyl, »Laga« de heer P. A. Petrie. Een goed deel van het meerdere succes, dat over het algemeen de studentenroeivereenigingen hebben, moet wel aan de leiding hunner ploegen toegeschreven worden.

Over den stijl zijn de autoriteiten op roeigebied het in de hoofdzaken eens. Zoo gemakkelijk het is een roeiboot in het water voort te bewegen, zoo moeilijk is het elk der onderdeelen der roeibeweging volkomen uit te voeren. We willen een enkelen slag beschrijven.

Bij het inpikken brengt men, door even het handvat van den riem op te lichten, het blad onder water; niets meer, maar ook niets minder dan het enkele blad. Niets minder, omdat dan de weerstand in het water kleiner

wordt, en dus de riem eerder door het water getrokken zijn zou dan die van de andere roeiers. Niets meer dan het blad om de volgende reden. Niet alle deelen van den riem buiten den dol bewegen zich in dezelfde richting ; het gedeelte bij den dol beweegt zich in dezelfde richting als de boot, het uiteinde van het blad in tegenovergestelde richting. Hiertusschen bevindt zich dus een stilstaand punt. Dit punt ligt bij een zich in vaart bevindende giek ongeveer daar, waar blad en steel in elkaar overgaan. Wordt nu eenig deel van den riem voorbij dit punt onder water gebracht dan wordt dus weerstand aangebracht, natuurlijk ten nadeele van de snelheid der boot. De stand van het blad in het water moet zijn een zuiver vertikale. Goede stand van de rowlock zoowel als goed

nnncrpbrnrht y.iin van lip.t sfnnttaer ziin fievst.fi

ö Mpurpr

vereischten; staat de bovenrand van het blad

iets te veel naar voren dan vliegt de riem uit het water, staat de bovenrand te veel naar achteren dan gaat het blad noodzakelijk dieper, waardoor het uitpikken bemoeilijkt en het boord naar beneden getrokken wordt. Men lette dus op den juisten stand van den riem, wanneer deze tegen den rowlock wordt aangedrukt. Een geoefend roeier kan een geringe afwijking in den stand van het blad wel compenseeren, doch ten koste van onnoodige inspanning of zelfs van het spoedig optreden van stijve armen. Niet alleen de stand moet echter een goede zijn, maar de roeier moet zorgen, dat het blad snel en dadelijk vertikaal in het water gezet wordt. Het doorhalen van het goed ingezette blad geschiedt nu met zoo groot mogelijke kracht en gelijkmatig. Dit zoo groot mogelijk, natuurlijk relatief op te vatten en geproportioneerd aan den af te leggen afstand. Uit het feit, dat alleen het blad onder water zijn mag, volgt dat de beweging van het blad door