is toegevoegd aan uw favorieten.

Het boek der sporten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het water een absoluut horizontale zijn moet. Het uitpikken geschiedt door even op den riem te drukken aan het eind van het doorhalen; 't is evenals het inpikken een zeer korte, snelle beweging. Onmiddellijk na het uitpikken wordt het blad ongeveer 90° gedraaid en weder naar achteren gebracht (het z.g. scheren), evenwijdig aan het water, zoo dicht mogelijk er bij, doch zonder het te raken. Door dit draaien wordt de weerstand, die het breede blad in de lucht te overwinnen heeft, minimaal, daar nu slechts de dunne kant weerstand ondervindt. Op het einde van het scheren wordt het blad weder vertikaal geplaatst en vertikaal in het water ingepikt. Wat deze laatste draaiing betreft, sommigen doen dit langzamerhand op het eind van het scheren, anderen geheel op het eind, zeer snel, als het ware samenvallend met de inpikbeweging.

De houding van het lichaam is de volgende. Bij het inpikken zit de roeier met de voeten tegen de voetenplank, vastgehouden door den lederen riem, de zitbank geheel naar voren, de beenen dus gebogen in de knieën en uit eikander gespreid^ gelijkelijk rustende op de beide helften van de zitbank, de romp ver voorovergebogen, doch zoo weinig mogelijk gekromd, niet naar rechts noch naar links overhellend, de armen gestrekt, de vier vingers van de handen over den riem gebogen, de handen zelf in rechte lijn overgaande in den voorarm, dus zonder eenige buiging in het polsgewricht. Bij het inpikken wordt het handvat even opgetild en onmiddellijk volgt het doorhalen, waarbij het lichaam achterovergezwaaid wordt. Bij dit achteroverzwaaien worden zoowel de strekspieren van den rug, als ook de beenspieren en schouderbladspieren in werking gesteld. Het voorste gedeelte van de borstkas, eenigszins beklemd bij den stand van het lichaam bij liet inpikken, wordt spoedig weder vrij. De achterwaartsche zwaai geschiedt in combinatie met het uittrappen van de sliding. Niet allen zijn het hierover eens. Wel is men liet eens daarover, dat niet eerst de sliding moet uitgetrapt worden en daarna achterovergezwaaid, een fout die door raceroeiers dikwijls gemaakt wordt. Niet eens is men het daarover of de beide bewegingen gecombineerd moeten geschieden of wel eerst achterovergezwaaid, en daarna eerst de beenen uitgetrapt. Victor Silberer toch zegt in zijn »Handbuch der RudersporU : eerst het bovenlichaam achteroverzwaaien en daarna eerst de beenen uittrappen. Het gelijktijdig achteroverzwaaien en uittrappen der beenen heeft grooter en vooral gelijkmatiger kracht; bovendien kan, wanneer eerst alleen achterovergezwaaid wordt, de werking der rugspieren niet geheel tot haar recht komen in de gedwongen houding met de sterk opgetrokken beenen.

Wanneer de sliding is uitgetrapt ligt het lichaam iets achterover. Niet te ver, ten eerste omdat dan het gewicht der roeiers te veel verplaatst wordt en vooral bij het oprichten der lichamen de boot te veel zal dompen, doch ook omdat het oprichten van liet ver acliteroverliggende lichaam aan de buikspieren te hooge eischen stelt.

Van de armen hebben, tot aan het bijna uitgetrapt zijn van de sliding, alleen de buigspieren van den onderarm gefunctionneerd, teneinde de vingers haakvormig