is toegevoegd aan uw favorieten.

"Gooiland"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De snelheid, waarmede de Rijn ons land doorstroomde, was veel grooter, waardoor ook het transporteeren d vermogen grooter werd. Daar waar zich thans slib afzet, werd zand gedeponeerd, waar thans zand wordt afgezet, werd toen grint geworpen. Door de strengheid des winters werden zelfs groote keien en steenblokken door het ijs hierheen vervoerd. Al deze veranderingen door Rijn en Maas te voorschyn geroepen , geschiedden lang vóór de komst van het „Landijs". Maas en Rijn waren groote woeste stroomen, die één reuzenmonding hadden.

Wanneer we ons de Betuwe een geheel vormend met het ,,Land van Maas en Waal", voorstellen als door den Rijn ingenomen, doch waarin ook het Maaswater zich uitstortte, waardoor de bestanddeelen der rotsgesteenten zich konden mengen, dan hebben we eenigszins een denkbeeld van de uitbreiding dezer rivieren. Vanaf den Wageningschen berg overziet men de Betuwe en neemt men in de verte de blauwe heuvelreeks nabij Nijmegen waar. De geheele kom daartusschen werd door die machtige rivieren uitgespoeld. Aan den voet van den Wageningschen berg, waar men aan 't zandgraven was, vond Lor ié in hoofdzaak gesteenten van den Rijn. Het grint was daar Rijngrint. Benevens deze Kijngesteenten lagen er in t zand granieten en porfieren uit 't Noorden, terwijl zich zeer merkwaardig daar in den berg een kleistukje bevond. Bij nadere beschouwing bleek in deze klei een schelpje te zitten, een Rhynchonella Thurmanni. Vergelijkende onderzoekingen leerden, dat het klei van 't onderste gedeelte der Witte-Jura formatie was, een formatie die nog in het bereik der Venceligt, en die zich bij Mohon in de Maas stort. Waarschynlijk is dus dit schelpje door invriezing door de Maas daarheen gevoerd. Eenmaal heeft het Maaswater alzoo tegen den Wageningschen berg gestroomd, en daar zijn lasten neergelegd.

De periode in ons Diluvium, waarin de Maas en de Rijn zulke groote veranderingen teweeg brachten, noemt men het „Praeglaciale Diluvium", en bezit een min of meer regelmatige structuur. Dooide verplaatsing van den stroomdraad, van de bedding, traden door de snelheid , waarmede het water zich voortbewoog, de verandering in de ligging van het zand, 't grint en de groote keien in.

We moeten ons in het diluviale tijdperk, dat dus op het tertiaire en wel op de pliocene afdeeling volgt, onze streek voorstellen als onder ijs en water bedolven. De vergletschering strekte zich veel verder uit dan men vroeger tot alleen Scandinavië aannam. Zweden en Noorwegen, Noord- en WestRusland, Noord-Duitschland, de Oost- en Noordzee, het oosten van Engeland en Schotland met de Orkney- en Shetland-eilanden waren onder een ijskorst, het z.g. Landijs, bedolven. In dezen toestand moet men zich ook ons Gooi voorstellen. Uit de boringen, die later nog uitvoerig besproken zullen

worden, zullen we hiervoor de bewijzen zien. Ijsbergen, nauw aaneengesloten, dreven en wrongen zich langzaam over de oppervlakte. Een langen tijd, niet in cijfers uit te drukken, verliep sinds de gletschers de Scandinavische gebergten verlieten en onze streek bereikten. De gemiddelde jaarlijksche temperatuur is iets, doch niet veel lager dan de tegenwoordige, terwijl de sneeuwval, waar de gletscheruitbreiding zoo mede samenhangt, veel grooter was.

Langzamerhand trad dus het,,Landijs" op, dat aan zijn oppervlakte en aan het vooreinde steeds afsmolt, doch dat vooruitging doordat het aanvriezen het smelten overtrof. Door het smeltende water ontstonden bekeri, die de gevormde grondmoraine uitspoelden, en slib en zand verder voerden. Weliswaar bleven de grootere blokken liggen, maar bij het terugtrekken van het landijs door tijdelyke afsmelting, kwamen deze bloot en konden eveneens weggevoerd worden. De beken, die door het smelten

O 7

van 't ijs ontstonden, konden hun last in den Rijn of in zijn takken brengen en zoo aanleiding geven tot het ontstaan van een door Lor ié genoemd „Gelaagd Gemengd Diluvium". Deze menging geschiedt met behulp van 't landijs en is dus „Glaciaal"; de periode kan alzoo als „Glaciaal Gelaagd Diluvium" aangegeven worden. Hierop volgt het „Glaciaal Ongelaagd Diluvium", de „Grondmoi aine".

Op het Gelaagd Gemengd Diluvium (Glaciaal Gelaagd Diluvium) rust op vele plaatsen van het Diluvium, de Grondmoraine, zooals bij de Bilt, Hilversum—Bussum, Aalbergen , e. a.

De heuvelachtigheid van ons Diluvium is zoowel een gevolg van de, oprichting der lagen van het Praeglaciale Diluvium, van de ijsbedekking, van I een latere erosie door rivieren en beken, als van de werking der Westenwinden. Het terrein tusschen Hilversum en de Vuursche toont in overvloed zulke zandheuvels aan, die door den wind zjjn opgeworpen. De oostelijke helling treft men daar veel steiler aan dan de westelijke, terwijl de heuvels zelf, grint noch keien bevatten.

De beroemde Trompenberg nabij Hilversum is voor het bovendeel te beschouwen als gemengd dij luvium. terwijl de diepere lagen door Rijn en Maas ! gevormd zijn. De geheele berg is waarschijnlijk door oppersing der onderlagen ontstaan, terwijl het zand der heide, dus ook naar de richting Bussum, bij , het terugtrekken van het landijs, door de grondI moraine is uitgespoeld, die ten oosten onder het , Landijs zat.

De plaats gevonden ijsbeweging is nog te volgen tot aan het einde der tegenwoordige ysbaan, dat is tot ongeveer op de helft der uitgegraven zanderij. In Noordelijke richting zijn de werkingen van het afsmeltwater der ijsmassa's waar te nemen, doordat reusachtige, zich telkens van stroomdraad verplaatsende beken , nu eens zand van kleiner en grooter kor-