Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin enkele stukjes pyriet aangetroffen werden. Tot 269,7 M. werden geen fossielen meer in de lichtblauw grijze kalkhoudende klei of mergel gevonden. Waarschijnlijk bezit de tertiaire formatie hier een dikte van 232,2 M. Hierop volgen eenige lagen mergel, lichtgrijs van 269,7—291 en donkergrijs tot 308,4. Van 308,4—460 M. volgt een opeenvolging van verschillende kleisoorten, nu eens kalkhoudend, dan weer op mergel gelijkend. In het aangrenzend gedeelte van Westfalen en het Teuto-

O O

burgerwoud treft men een mergelschiefer aan, die met deze laag overeenkomst bezit en wel om reden er kleine platte stukjes Schieferthon in worden aangetroffen. Dit zou de Trias-formatie kunnen zijnen wel de bovenste formatie van den „Keuper". Vergelijkende onderzoekingen door L or ié naby Ochtrup ten Z. van Bentheim, aan den Haarmolen en nabij Miinden, tusschen Kassei en Göttingen, waar ook Schieferthonen gevonden worden, die fossiel-vrij zijn, wijzen er met gioote waarschijnlijkheid op, dat de genoemde afwisselende lichtgrijze, lichtgroene of lichtblauw grijze, grijsbruine en bruinroode Schieferthonen van Tvvickel, die soms gipskristallen of kwartskorrels, zandsteen en bruinijzersteen bevatten, tot de Wealden-formatie behooren (naar The Wealds, een boschrijke streek in Engeland). Volgens Lor ié bestaat er geen grond om een Jura-formatie onder Twickel aan te nemen. Gaan we de boring verder na, dan vindt men van 460—554 M. waarschijnlijk de Triasformatie en wel de Keuper of Muschelkalk. Onder de Schieferthonen smaakt het water zout en worden er kleine steentjes uit opgehaald. Bij nader onderzoek bleken deze steentjes splijtingsstukjes van „anhydriet" te zijn, dat chemisch beschouwd zich alleen door het gemis van kristalwater van het gips onderscheidt. Zooals te verwachten was, werd onder deze laag een laag steenzout gevonden, daar bijna altijd anhydriet met steenzout tegplyk wordt aangetroffen. In N. Duitschland worden nergens zoutlagen gevonden, die jonger zijn dan de Trias; de welbekende Stassfurter-mijnen zijn zelfs veel ouder en worden algemeen beschouwd als ontstaan te zijn in de veel oudere Permische formatie of den Dyas. Onder deze steenzoutlaag worden weer lagen aangetroffen met verschillend gekleurde kleisoorten, rood, groenachtig, grijs enz. Het boren kon door vastzuiging der boorbuis nog slechts een 30 M. dieper geschieden, zoodat de geheele buislengte hier een hoogte van 5,5 maal den Utrechtschen Domtoren bereikt heeft. Het doel dezer boring, waaraan dag en nacht van Maart 1886 tot Augustus '87 gewerkt is, was om een artesische bron te verkrijgen, die overvloedig water moest geven. Dit doel werd niet bereikt. Op 230 M. diepte trof men wel een waterader, die 660 L. per uur gaf, doch dit water bevatte 1,5 pCt. zouten, waarvan de oorzaak nu bekend is. Een hoeveelheid van 1 M3. water per uur werd uit een ader verkregen, die zich op 420

M. — AP. bevond. Dit water steeg 4 M. boven den grond, doch daar ook dit zeer zouthoudend was, voldeed het niet aan 't doel.

Uit deze diepe boring is gebleken, dat de oppervlakkige aardkorst ook in ons land uit verschillende lagen is samengesteld. Ik meende deze boring hier even te moeten beschrijven om de methode te doen zien, waarop de aardlagen in een formatie geplaatst worden en dat de studie der nabij en soms verafgelegen terreinen een belangrijke vingerwijzing daarin geven.

De boring te Diemerbrug, meer nabij het Gooi gelegen, heeft eveneens veel belangrijks aan het licht gebracht. Het terrein der boring bevindt zich op 0,7 M. — AP. Het alluvium bestaat daar uit afwisselende lagen veen en zeeklei (waarin schelpjes gevonden worden). Bij deze boring is gebleken dat het veen meermalen door water weggeslagen is, waarna zich weder zeeklei afgezet heeft. Te Sloten komt dit op dezelfde diepte niet voor, maar heeft zoowel het veen als de zeeklei zich rustig kunnen vormen.

In Diemerbrug vindt men van 1,2—2.1 M. veen, van 2,1—3 M. klei, van 3—6,5 M. veen , van 6,5—9 M. zeeklei, van 9—9,5 M. wederom veen, van 9,5-12,2 fijn zand, met schelpjes (vormen, die nog in onze zeeün leven; van 12.2—16,7 zeeklei, van 16,7—21,3 een zeeklei met andeie soorten schelpen, die tot het z.g. Eemstelsel behooren en van 21,3—24,6 grof zand. Deze lagen behooren tot 16,7 M. alle tot het alluvium. Op 16,7 M. vangt het diluvium aan en op 24,6 M. diepte de zoetwaterformatie van het zanddiluvium. Het eerste gedeelte hiervan omvat de lagen van 24,6—65,3 M. en bestaat uit klei, fijn zand en enkele keien. Op 36 M. diepte worden afzonderlijke keien aangetroffen van kwarts en kwai'tsiet; verder vond men daar een stuk gerold hout, en houtfragmenten met schorsstukjes.

Een tweede afdeeling van 't diluvium loopt van 65,3—121,3 M. en bestaat in hoofdzaak uit fijn en grof grint zonder keien.

Een derde afdeeling omvat de zandlagen tot 169 M. Die grove zandlagen nemen bijna evenveel ruimte in als de fijne, en daar volgens Lor ié het materiaal bijna even goed grint genoemd kan worden, wordt dit de grintafdeeling genoemd.

Een vierde afdeeling vangt aan op 169 M. diepte. Was tot dusverre alles ongeveer hetzelfde materiaal, wanneer men de korrelgrootte buiten rekening laat, dan volgt nu een geheel andere formatie, door Lor ié ,,overgangsafdeeling" genoemd. Van 169,2 tot 170,4 treft men er een ruw ongelijk korrelig leemhoudend zand aan, met veel plantengruis gemengd. Dit is als een oevervorming te beschouwen. Ook van 186,4—188,4 M. wordt dit nu en dan met sporen van schelpen aangetroffen, ook in de lagen van 189,2—190,7, waardoor een verband ontstaat met het Plioceen der Tertiaire periode.

Hier heeft de boor dus de dikte van het Diluvium

Sluiten