Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volkomen bekend met de vormende waarde der aldus aangroeiende verzamelingen hadden Burgemeefteren reeds in 1748 aan Jan van Dijk, die het beheer over de kunftkamer voeren zou, maar die tevens voornemens was verfchillende leiïen te geven, in zijn Instruélie voorgefchreven „dat het „alle jonge konftenaers vrij zou (laan naer de prentkonft te tekenen of te „fchetzen, alsmede naer de modellen van Quellien te boetzeren en naer de „Boümodelle te tekenen" en van deze Bouw-modellen zou van Dijk ook gebruik mogen maken voor het onderwijs in de „Perfpeétief, optie en Longe„metrie" dat hij wenfehte te geven. Van af den zomer van 1766 zou de Academie daarbij „opengezet worden voor die geenen, die zich in het Tekenen „naar Pleifter verder willen oefenen". En hoewel de naam Stads-TeekenAcademie zeker burgerrecht had verkregen en ook behield, zoo kende toch een Burgermeefterlijk belluit van 1768 den Direéteuren wel degelijk het recht toe onderwijs te geven in het teekenen, fchilderen en boetfeeren. Daarbij ftaat de eerlle hiftoriograaf der Academie J. O. Hufly door Immerzeel geboekt niet alleen als de verdienfbelijke architeél van verfchillende gebouwen, maar ook als Direóteur voor het Bouwkundig onderricht aan de Academie, wier werkzaamheid door een BeQuit van 1773 een nieuwe beteekenis zou erlangen. Met een beroep op de noodzakelijkheid der teekenkunft, ook voor „veelerleie „Fabrieken en kundige Handwerken" werd toen door de Directeuren „in de „Academie een Leerfchool der Tekenkunft" opgericht als „het bekwaamde „middel tot het vormen van een algemeen goeden fmaak, nuttig voor alle „Leerlingen, tot welke zaaken zij ook in het vervolg mogen overgaan".

Bij al deze evoluties volgde de Academie Hechts den grooten en wijden drang, die in alle landen van Europa werkte. Zij was, in Vondels dagen, het centrum geweelt voor Schilders, Beelthouwers, Plaatfnijders, Teekenaers en beoefenaers van zoovele andere kunflen, zij bleef het nog. Zij kon het ook zijn. De aard der ftudiën die zij aanbood, moge fchijnbaar meer fpeciaal de Schilderkunlt ten goede gekomen zijn, inderdaad waren zij, bij den toenmaligen ftand van kunftnijverheid en ambachten, wel ter dege ook deze ten bate. Zoowel de vele fchoone voorwerpen van gebruikskunft uit den tijd der Barok of der Roccoco, als die uit de „Empire", zoowel gebouwen als beelden en lchilderijen, ze zijn niet denkbaar zonder de aanwezigheid eener Academie, waar de ftudie naar antieken en de natuur, waar de tradities der vijf orden, waar het zich Herken aan de bij uitftek voor allen nuttige Prentkunll werd in eerc gehouden en in ruftigen arbeid mogelijk gemaakt. Door

Sluiten