is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedenkboek van het Nederlandsch Jongelingsverbond 1853-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

COMMISSIE VOOR Z. K. Z.

Benevens de werkzaamheden in de Vereenigingen begon ook de arbeid in hare onderafdelingen steeds meer naar leiding en steun van het Bondsbestuur te dingen. De Zondagsschool was reeds vroeg een tak van arbeid der C. J. V., ofschoon het onderhoud en besturen van die scholen niet bepaald tot de taak dei lono-elino-svereenigino- kon gerekend worden. Niettemin is voor bekwame leden het Zondagsschool-gebied het aangewezen arbeidsveld, waarom ook in het Verbond

ö o

duizenden kinderen bedoeld onderwijs van leden of oudleden ontvangen.

Niet minder gewichtig is de arbeid in Knapenvereenigingen, welke aibeid zoowel in 't buitenland als in ons vaderland voortdurend grooter omvang aanneemt. Steeds meer is men er op bedacht geworden, den jongens een gelegenheid te bieden tot opscherping van het verstand, tot verkrijging van kennis, tot opwekking van werklust en vermeerdering van werkkracht, tot aanwakkering van het schoonheidsgevoel, tot beoefening van alles wat rein en liefelijk is en wat welluidt; teiwijl het

Evangelie het al als een zout doordringe.

En voorts in beide deze afdeelingen, zoowel als in vele Vereenigingen zeiven, begint in den laatsten tijd allengs meer de behandeling der zending tot de werkzaamheden te behooren.

De wensch nu om deze werkzaamheden meer doeltreffend te maken, deed

de begeerte naar voorlichting ontstaan, wat tengevolge had, dat een Commissie benoemd werd voor Zondagsschool, Knapenvereeniging en Zending („Z. K. Z.").

Ten behoeve van de Knapenvereeniging werd tevens door het Verbond een maandblad uitgegeven tot titel dragende; Voov onze Jongens. De ïedacteuren van

o o °

dit blad zijn de H.H. A. J. Hoogenbirk en K. \\ ielemaker.

OVERZICHT VAN HET TWEEDE TIJDPERK.

In dit tijdperk vooral (1891 — 1903) zien we het Verbond zich krachtig ontwikkelen. Meer op den voorgrond treden in deze jaren, de middelen ter bevordeiing van verstandelijke en geestelijke vorming, terwijl ook een meer doelmatige organisatie ingevoerd wordt.

Men bespeurt al meer een nalaten van de eerste beginselen, om vooit te varen tot de volmaaktheid; om te streven naar bereiking van het doel in heel zijn omvang: den jongeling gelegenheid te bieden, zijn krachten en gaven te ontwikkelen in den dienst des Heeren op het veelzijdig levensgebied.

Men ziet geen angstvallig vasthouden aan het meer beperkte doel van voor