is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedenkboek van het Nederlandsch Jongelingsverbond 1853-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De Bondsbanier", het feestlied van Ten Kate, door H. Snel getoonzet, vond vervolgens een knappe uitvoering, onder persoonlijke leiding van den componist. Over de muziek hiervan zeggen we niets, daar deze reeds in den Bode is besproken. Wel vlechten we hier een woord van lof in voor den heer Snel om zijn mooie compositie „Oranje-Mecklenburg-Schwerin-Gavotte", voor fanfarecorps, die zijn Rotterdammers fraai ten gehoore brachten. Ds. Van Noort had dan ook recht, toen hij al de diverse commissies zeer dankte voor hun hulp en medewerking. Ook las hij het telegram in antwoord van H. M. de Koningin ontvangen en deelde diverse regelingen mede.

Nadat Psalm 150 en Gezang 96 was gezongen, werd de vergadering gesloten door Ds. van Noort.

Velen bleven nog, om de gymnastische groepen te bewonderen.

Donderdag 21 Mei 1903, Tweede feestdag.

Geheel volgens 't programma werd de morgen van den Hemelvaartsdag in de schoone Nieuwe Kerk, waarvan onze Feestgids zooveel heeft verhaald, doorgebracht, onder machtig psalmgezang, stichtelijk gebed, en het aanhooren van de toespraken der predikanten Dr. De Visser en Ds. Postma.

Dr. De Visser sprak het eerst. Zijn rede luidde als volgt:

Ik heb behoefte aan te vangen met een hartelijken gelukwensch aan u, jongelingen, leden van het Algemeen Nederlandsch Jongelingsverbond, dat heden zijn vijftigjarig bestaan herdenkt. Duizenden christenen in den lande verblijden zich met u, dat uwe vereeniging, door goed en kwaad gerucht henen, zijne plaats behield, zijnen kring verbreedde en, wat het meest beteekent, tal van zonen van ons vaderland tot zegen was. In eene reeks van steden en dorpen heft gij te zamen moedig de banier van het kruis omhoog, die, terwijl tal van vaandels en vaandeltjes in den loop der eeuwen zijn verbleekt en vernield, nog immer hoog in de lucht wappert en duizenden en tienduizenden onder zich vereenigt. Maar vooral verheugen wij ons in den bloei van uwen Bond, omdat hij een krachtig protest mag worden genoemd tegen den vermaterialiseerenden geest onzer eeuw. Tegen het zondig streven om den mensch te maken tot een speelbal van den tijd; tot een slaaf van het brood, dat hij eet; van de vrouw, die hij bemint; van de goederen, die hij bezit — hebt gij verzet aangeteekend door het hooghouden van de ideeële schatten van den enkelen mensch en van het gansche volk. Gij zaagt terecht in, dat ook onder jongemenschen de kamp moest worden aangebonden tegen eene wetenschap, die zich als de almacht neerzet op den wereldtroon; tegen eene kunst, „waar één hartstocht bij kan gloeien, maar geheel een ziel bij smacht"; tegen eene zedekunde, die met hare fatale nuttigheidsleer ieder schepsel maakt tot zijn eigen God. Voor u was de mensch, de jongeling, niet maar de slaaf van eene ijzeren natuurnoodwendigheid; het slachtoffer van een oorspronkelijk instinct; de prooi van eene bijzondere bloedsmenging, maar het palimpsest, waarop Gods hand eens heilig schrift had geplaatst, doch hetwelk door de profane vingers der zonde was onleesbaar gemaakt en met onheilige taal overdekt. Maar nu Christus is gekomen, die het middel aangaf om die onheilige taal uit het handschrift van s menschen ziel uit te wisschen en het oorspronkelijk door God er op geschreven woord terug te brengen, ontwaakte in u de geestdrift om die heerlijke boodschap uwen kameraden te brengen en de Nederlandsche jongelingsschap af te houden van den lagen geest der materie-dweeperij. De wiekslag der heilige geestdrift werd en bleef uwe eer. Gij hebt geoordeeld, dat het niets baat of het schoone vaartuig van ons volksleven door kunst, wetenschap en industrie van de beste en zekerst werkende machines is voorzien, wanneer in volle zee gebrek aan kolen ontstaat. Voor den vooruitgang onzer maatschappij is het vuur van die hooge geestdrift onmisbaar! Daarom blijf ik deze met nadruk van u vragen. En er bestaat reden om dit thans met bijzonderen ernst te doen.

Maar al te veel jongelingen toch leven op geestelijk gebied nog bij louter overgeleverde vormen, terwijl zij medeloopen en mededoen, met eene matte ziel en eenen roestigen wil. En tegenover hen staat eene groep, die gevaar loopt over te koken en zichzelf te branden, zonder anderen warm te maken. Zoowel dat Nederlandsche flegma als deze twintigeeuwsche zenuwoverspanning doet schade aan het koninkrijk Gods. Beide zijn aan ware geestdrift vreemd.

DANK- EN BEDESTOND IN DE NIEUWE KERK.