is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedenkboek van het Nederlandsch Jongelingsverbond 1853-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

n. 1. — maar die toch met hunne doorgebogen knietjes en slappe gelaatstrekken en vvezenlooze oogen geen Enaks kinderen zijn.

„Laten wij het maar bekennen", zoo schreef eens een woordvoerder-litterator, „dat wij, die geene idealen meer hebben, wij, kinderen van die vervloekte half-wetenschap van de neutrale school, van eene opvoeding zonder geloof , dat wij niet meer groote glorieuse idealen op onzen levensweg meekrijgen".

Zij zien den bergtop der hoop niet meer. Zij kunnen zingen met den kleinen Hans Domheer;

„Ach, ik ben van 't pad gedwaald Raad'loos en verlegen".

En wanneer voor dien breeden stroom de Opstandingsklokken beieren of de Hemelvaartsliederen gezongen worden, met de woorden; ,,'t Spoor loopt hemelwaart", dan hooren ze de klanken heel, heel uit de verte, als de muziek van een oud sprookje, óf met hoogmoedigen hoonlach verachten zij de lokstem der liefde. Om het eens heel duidelijk te zeggen: Ze zijn uit de Kalverstraat de Nieuwe Kerk voorbijgegaan, naar de Nes geslenterd en in de Pijp afgezakt.. . . het kerkhof van menig moreel leven, de angst eener biddende moeder, het knekelhof van alle Christelijke deugden.

Wij gaan in onzen tijd, naar het woord van eenen dichter:

Van twijf'len tot vragen Van vragen tot klagen,

Van klagen tot spot —

Van spot tot de daden Met schulden beladen,

Steeds verder van God.

Is het wonder, dat het hart van menigen vader breekt en de moeder in stomme smart neerzit; dat menig ouderpaar liefst over dat ééne pijnlijke onderwerp maar niet langer spreekt, dat onderwerp hetwelk een nimmer te heelen wond steeds wijder openrijt?

Is het wonder, dat ernstige, vroede mannen rondzagen naar middelen en wegen om onze jongelingschap te redden uit den gapenden muil van den geest des tijds? Dat de vraag uit Psalm 119:9 herhaald werd?

Want de ernst der tijden legde noodzakelijk deze vraag op de lippen. Een onderwijs zonder opvoeding; het internationale karakter dezes tijds; een spottende wereld ; niet te vergeten de neiging van het onwedergeboren hart; de onmêedoogende critiek, welke zelfs hare bezoedelde handen niet af houdt van het heiligste; het op den voorgrond plaatsen van sociale vraagstukken; de onstuimige stroom van het Materialisme; de mondaine onverschilligheid voor hooger leven. ... al deze gegevens deden beven en rondzien naar reddingsboeien.

Waarlijk, het pad van den jongeling is een glibberig pad, over hoogvlakten met moerasbodem en met verleidelijke zijpaden.

Daarbij komt de moeilijkheid, dat hij dikwerf zonder leidsman staat, zonder handwijzer en zonder reisgids. Dat behoeft wel zoo niet te zijn, maar het is zóó. In de kazerne, in de fabriek, op de werkplaats, op de scholen. Overal wacht hem de stem der verleiding. Wel kan hij weten, dat overal hem reisgids en kompas geboden wordt in Gods heilig woord, dat er overal vrienden zijn, die hem willen toeroepen: „kom, ga met ons en doe als wij"; dat hij nergens is zonder Hem, Wiens oogen de gansche schepping doorloopen; maar hoe dikwerf leeft zelfs de meer gevorderde op den weg des levens zonder den troost der eeuwige liefde.

En vooral wordt zulks erger, naarmate de omgeving voor hem als een oceaan is, waarin hij als een droppel is neergeworpen. De groote steden zijn ook in dat opzicht verderfelijk, omdat het wel tot de onmogelijkheden behoort bij dezen toestand in het kerkelijk leven, allen te bereiken, die men zou willen bereiken.

Men heeft goed praten, wanneer men heel goedkoop beweert, dat vooral de kerkelijke besturen der grootere steden hunne verantwoordelijkheid moeten kennen; maar al beangstigt hen deze verantwoordelijkheid, één man heeft toch maar één lichaam en het aantal predikantsplaatsen is niet verdriedubbeld toen de bevolking verdriedubbelde. Alles vraagt hunne aandacht en voor alles worden zij geroepen en velen zwoegen onder den arbeid zonder dat de gemeente dikwerf ook slechts eene enkele poging onderneemt om hen eenigszins van den last te ontheffen.

De jongeling van Christelijken huize, in de gemeente des Heeren geplaatst, merkt dan dikwerf ook zóó weinig van het leven der gemeente, dat het hem nauwelijks kwalijk kan genomen worden, dat hij gretig zijn oor te luisteren legt naar de prediking der revolutie onzer dagen, welke met vurige kracht van de katheders der wetenschap, van de planken van den schouwburg, uit de goed gestyleerde artikelen en uit de vergaderingen van neutrale vakvereenigingen hem tegenklinkt. Het Materialisme werd de religie en een socialistische heilstaat zijn ideaal.